Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-20121593

Vragen van het lid Jadnanansing (PvdA) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de vermindering van de uitgaven aan wetenschap (ingezonden 3 februari 2012).

Antwoord van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 20 februari 2012).

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht «Kabinet kort 10 procent op wetenschappelijk onderzoek»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Wat betekent het begrip «kenniseconomie» volgens u?

Antwoord 2

Van het begrip kenniseconomie zijn vele definities in omloop. Voor mij is vooral van belang dat kennis bijdraagt aan de versterking van onze economie en meer in het algemeen aan een bloeiende en welvarende samenleving. In een tijd als deze, waarin er een economische crisis heerst, betekent dit vooral de ambitie om met behulp van kennis sterker uit de crisis te komen.

Vraag 3

Waarmee verdient Nederland volgens u over 20 of 30 jaar zijn geld? Is deze verdiencapaciteit afhankelijk van kennis en wetenschap?

Antwoord 3

Op dit moment is moeilijk te voorspellen waarmee Nederland over 20–30 jaar zijn geld verdient. Het is mijn overtuiging dat onze verdiencapaciteit dan in sterke mate afhankelijk zal zijn, net zoals nu overigens, van wetenschappelijke kennis en van het in economische waarde omzetten daarvan. De WRR bereidt momenteel een studie voor over precies deze vraag.

Vraag 4

Waarom zou voor wetenschap niet de wetmatigheid «alle waar naar zijn geld» gelden?

Antwoord 4

Wetenschap biedt antwoord op de grote maatschappelijke uitdagingen (grand challenges), wetenschap is cruciaal voor het individuele welzijn en wetenschap is een belangrijke pijler voor de economie. Bovenal heeft wetenschap een intrinsieke waarde als onderdeel van onze westerse cultuur.

Vraag 5

Hoe groot is de verwachte economische schade op lange termijn die voortvloeit uit deze korte termijn-bezuiniging?

Antwoord 5

Tegenover de teruglopende directe uitgaven van het Rijk voor R&D staat een toename van de indirecte uitgaven. Deze middelen dienen te worden meegewogen om een evenwichtig beeld te kunnen vormen van de intensivering en desintensiveringen van het kabinet op het terrein van kennis en innovatie. De Kamer ontvangt hierover een brief naar aanleiding van het ordedebat op 2 februari jongstleden.

Vraag 6

Deelt u de mening dat bezuinigen op wetenschap niet rijmen met de ambities, noch met de economische verwachtingen («kenniseconomie») van ons land en derhalve buitengewoon onverstandig zijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Zie het antwoord op vraag 5.


X Noot
1

http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2672/Wetenschap-Gezondheid/article/detail/3151158/2012/02/02/Kabinet-kort-10-procent-op-wetenschappelijk-onderzoek.dhtm