Vragen van de leden Jasper van Dijk en Smits (beiden SP) aan de minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap over steeds lager opgeleide mbo-docenten (ingezonden 13 januari
2012).
Antwoord van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
6 februari 2012).
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht dat leraren in het mbo (middelbaar beroepsonderwijs)
steeds lager opgeleid zijn?1
Antwoord 1
Ik heb kennis genomen van het betreffende bericht. De werkelijkheid in het mbo is
genuanceerder dan de kop van het artikel suggereert. Het onderwijs in het mbo wordt
verzorgd door breed samengestelde teams, bestaande uit een mix van onder andere leraren,
instructeurs en ondersteuners. Deze mensen hebben een verschillende achtergrond en
zijn van groot belang voor de beroepssector, zeker gezien de vraag naar onderwijspersoneel
in de komende jaren.
Van leraren wordt verwacht dat zij minimaal beschikken over een hbo werk- en denkniveau.
Een instrument als de Lerarenbeurs stimuleert leraren een andere of hogere kwalificatie
te behalen. Ook in het bestuursakkoord dat ik eind vorig jaar met de MBO Raad heb
gesloten is er aandacht voor professionalisering van leraren in het mbo.
Vraag 2
Wat vindt u van de voorspelling van het Centrum Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel
(CAOP) dat het aantal onbevoegde docenten in het mbo de komende jaren zal toenemen?
Zo neen, waarom niet?
Antwoord 2
In opdracht van het SBO2 heeft het CAOP een arbeidsmarktanalyse van het MBO gepubliceerd. Mijn vermoeden is
dat u in uw vraag doelt op deze analyse. Ik kan hierin geen voorspelling vinden over
een toename van het aantal onbevoegde docenten in het mbo.
Inmiddels is in de Eerste Kamer het wetsvoorstel op de Wet Onderwijstoezicht aangenomen.
Daarmee wordt het toezicht op bevoegdheid en het onderhouden van bekwaamheid versterkt.
Zie verder het antwoord op vraag 3.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het zorgelijk is wanneer het aantal bevoegde leraren in het mbo
nog verder afneemt, aangezien nu al maar liefst 15% van de docenten in het mbo geen
lesbevoegdheid heeft? Zo neen, hoe is dit te rijmen met uw actieplan voor het mbo
waarin u spreekt over het professionaliseren van docenten?3
Antwoord 3
Ik deel uw mening dat het zorgelijk is wanneer het aantal bevoegde leraren in het
mbo afneemt. Het Kabinet streeft er daarom naar dat alle in het mbo werkzame leraren
benoembaar zijn en binnen twee jaren hun bevoegdheid behalen, indien nog niet behaald.
Uit de arbeidsmarktanalyse van het SBO blijkt dat 11% van de docenten in het mbo onbevoegd
is. Hieronder bevinden zich ook zij-instromers. Zij zijn benoembaar op basis van de
Wet educatie beroepsonderwijs, maar moeten binnen een periode van twee jaren hun bevoegdheid
hebben behaald. Deze mensen hebben met hun praktijkkennis een grote toegevoegde waarde
voor het mbo. Ruim 50% van de leraren in het mbo komt vanuit het bedrijfsleven of
de zorgsector. Deze route is dus van groot belang voor een voldoende aantal leraren
in het mbo. Ik richt mij bij deze groep op het verbeteren van de trajecten die leiden
tot het pedagogisch-didactisch getuigschrift, dat de zij-instromers moeten behalen.
Vraag 4
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat driekwart van de docenten in het mbo zonder
lesbevoegdheid, geen opleiding volgt om alsnog de vereiste papieren te halen? Zo neen,
welke waarde hecht u aan een de bevoegdheid van docenten in het mbo?
Antwoord 4
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3.
Vraag 5
Bij welk percentage leraren in het mbo met een lesbevoegdheid bent u tevreden over
het opleidingsniveau van het docentencorps? Welke concrete doelstelling voor de komende
twee jaar stelt u zichzelf?
Antwoord 5
In principe dient iedere leraar bevoegd te zijn, maar er zal, zeker in het mbo, altijd
een percentage leraren bezig zijn die bevoegdheid te halen. Want zoals eerder genoemd
in het antwoord op vraag 3 heeft het percentage onbevoegden met name betrekking op
zij-instromers die bezig zijn met het behalen van hun pedagogisch-didactisch getuigschrift.
Vraag 6
Welk budget is exact beschikbaar om onbevoegde leraren in het mbo aan een lesbevoegdheid
te helpen, nadat andere prioriteiten voor het mbo hiervan zijn afgetrokken? Hoeveel
opleidingen om een lesbevoegdheid te halen kunnen daarvan betaald worden?
Antwoord 6
Hiervoor is geen afzonderlijk budget beschikbaar. De middelen voor om-, na- en bijscholing
maken deel uit van de lumpsum. Dit kabinet investeert daarbovenop € 150 mln structureel
voor professionalisering van onderwijspersoneel in po, vo en mbo.
X Noot
2 Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt (2011), Arbeidsmarktanalyse MBO, Den Haag.
X Noot
3Actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524 nr. 88).