Vragen van het lid Van Gerven (SP) aan de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over de tabakslobby die meespreekt in Den Haag (ingezonden 5 januari 2012).

Antwoord van minister Schippers (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (ontvangen 1 februari 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1223.

Vraag 1

Kunt u bevestigen dat ambtenaren van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een «handreiking» aan de Vereniging Nederlandse Kerftabakindustrie (VNK) hebben gedaan die inhield dat «in voorkomende gevallen» de industrie eerst informeel over kwesties die de branche raken zou praten met directeur-generaal Volksgezondheid, de heer Huijts?1

Zo ja, wanneer is deze handreiking gedaan en tot welke vervolgacties heeft één en ander geleid?

Antwoord 1

Zoals ik tijdens de mondelinge vragen op 25 oktober 2011 over de contacten van VWS met de tabaksindustrie heb aangegeven, ben ik van mening dat VWS-ambtenaren zich breed in de samenleving moeten oriënteren en contacten moeten onderhouden met tal van maatschappelijke partijen die geraakt worden door VWS-beleid c.q. daar een bijdrage aan kunnen leveren. Dat is niet alleen nodig voor de oordeelsvorming op het departement maar ook een kwestie van fatsoen ten opzichte van partijen van wie belangen geraakt kunnen worden door voorgenomen beleid. In dat kader heeft directeur-generaal Volksgezondheid Huijts na zijn aantreden in maart 2009 vele tientallen kennismakingsgesprekken gevoerd met organisaties die op een of andere wijze werkzaam zijn op het beleidsterrein waarvoor hij binnen het departement verantwoordelijk is. Dat betreft in hoofdzaak organisaties uit de wereld van publieke gezondheid, gezondheidszorg, sportsector en overheden, maar vanzelfsprekend ook uit het bedrijfsleven waaronder de Vereniging Nederlandse Kerftabakindustrie (VNK) en de Stichting Sigarettenindustrie (SSI). De heer Huijts heeft bij de kennismaking met de VNK en SSI aangegeven dat hij geen vast periodiek overleg met de sector zou voeren, maar dat als er zwaarwegende onderwerpen aan de orde zijn hij bereid is daar overleg over aan te gaan en anderzijds ook van de sector verwacht dat zij problemen die zij ervaren met voorgenomen beleid van VWS eerst aan hem en zijn medewerkers kenbaar maken alvorens daarmee naar buiten te treden. Dat en niet meer dan dat is wat in de brief van de VNK de «handreiking» wordt genoemd. De vervolgacties zijn dat Huijts in de jaren 2009–2011 na het genoemde kennismakingsgesprek in totaal nog drie maal overleg heeft gevoerd met vertegenwoordigers van de tabaksindustrie. Op medewerkersniveau vindt regelmatiger overleg plaats.

Vraag 2

Was u op de hoogte van een dergelijke afspraak?

Antwoord 2

Ik was niet op de hoogte van deze specifieke afspraak, en dat hoeft ook niet want hij past in de beleidslijn zoals ik bij vraag 1 heb aangegeven.

Vraag 3

Was er een vergelijkbare afspraak met organisaties als Stichting Volksgezondheid en Roken (STIVORO) en KWF Kankerbestrijding? Met andere woorden: sprak de heer Huijts in deze kwesties ook informeel met STIVORO en KWF? Zo nee, waarom hechtte de heer Huijts meer belang aan het persoonlijk vernemen van de visie van de tabaksindustrie dan die van de gezondheidsorganisaties?

Antwoord 3

Zoals aangegeven bij vraag 1 onderhouden de heer Huijts en zijn medewerkers namens mij contacten met zeer vele relevante organisaties uit de wereld van publieke gezondheid, gezondheidszorg, sport, overheden en bedrijfsleven, dus vanzelfsprekend ook met Stivoro en KWF. Voor al deze organisaties hanteert de heer Huijts dezelfde «spelregels» zoals bij vraag 1 beschreven. Regulier contact vindt plaats met zijn medewerkers, en in wanneer gewenst en noodzakelijk gaat hij persoonlijk overleg met deze organisaties aan. Overigens zijn deze contacten tussen o.a. KWF en Stivoro met VWS veel veelvuldiger dan met de tabaksindustrie.

Vraag 4 en 5

Bestaan of bestonden er met de handreiking aan de VNK vergelijkbare afspraken en/of contacten tussen uw ministerie en organisaties of spelers in de tabaksindustrie en de tabakslobby? Hoe verhouden de genoemde contacten en handreiking zich tot de in antwoorden op eerdere vragen genoemde contacten van VWS met de tabaksindustrie en haar lobby, waarbij u heeft gesteld dat van stelselmatig overleg geen sprake is?2

Kunt u bevestigen dat de Stichting Sigarettenindustrie en de VNK in de periode voor oktober 2010 een open en constructieve gedachtewisseling met het ministerie van VWS hebben gevoerd onder leiding van de directeur-generaal Volksgezondheid, de heer Huijts, en dat daarbij informatie is uitgewisseld en afstemming is gepleegd over beleidsdiscussies in nationaal en internationaal verband?1 Zo ja, wat is in deze periode uitgewisseld en afgestemd?

Antwoord 4 en 5

In de periode voor oktober 2010 hebben naast het eerder genoemde kennismakingsgesprek twee inhoudelijke gesprekken plaats gevonden tussen de tabaksindustrie en de heer Huijts en medewerkers. Daarbij werden in beide gevallen voor de industrie relevante thema’s besproken die op dat moment aan de orde waren in internationale gremia zoals de EU en het WHO-Kaderverdrag, met name de onderwerpen additieven en plain packaging. De industrie heeft daarover tijdens het gesprek hun opvattingen kenbaar gemaakt.

Vraag 6 en 7

Vindt een dergelijke uitwisseling en afstemming ook in de periode na oktober 2010 nog steeds plaats, en zo ja, waarover? Zo nee, waarvan is de afgelopen jaren dan wel sprake geweest?

Kunt u een gedetailleerd overzicht verstrekken wanneer en waarover het ministerie van VWS, resp. het ministerie van EZ/EL&I, vanaf januari 2010 contact heeft gehad met de tabaksindustrie of haar lobbyisten? In welke gevallen waren deze contacten technisch van aard, en wat verstaat u hieronder?

Antwoord 6 en 7

Het ministerie van VWS heeft in antwoord op eerdere Kamervragen van 1 december 2011 een overzicht verstrekt van de contacten die het ministerie sinds het aantreden van het huidige kabinet heeft gehad met de industrie. Recent is daar nog een kennismakingsgesprek op DG-niveau bijgekomen in verband met een directeurswisseling aan de zijde van de VNK.

Directie Topsectoren en Industriebeleid is vanuit EL&I het eerste aanspreekpunt voor de topsectoren en het Nederlandse bedrijfsleven in brede zin. EL&I onderhoudt primair vanuit deze directie contacten met de tabaksindustrie, op medewerkers- of MT-niveau. Sinds 1 januari 2010 hebben geen contacten op directeurs- of DG-niveau plaatsgevonden.

Sinds 1 januari 2010 hebben er kennismakingsgesprekken plaatsgevonden met Phillip Morris International (PMI), de Stichting Sigarettenindustrie (SSI), de Nederlandse Vereniging voor de Sigarenindustrie (NVS), de Vereniging Nederlandse Kerftabakindustrie (VNK) en VNO-NCW, vanwege wijzigingen in de contactpersonen aan beide kanten.

Daarnaast heeft EL&I in oktober 2010 een overleg gevoerd met deze vijf organisaties samen. Daarbij hebben de branches ontwikkelingen in het (internationale) tabaksbeleid aan de orde gesteld, waaronder het WHO Kaderverdrag, de herziening van de tabaksproductenrichtlijn en de illegale handel in tabaksproducten.

In februari 2011 heeft een overleg plaatsgevonden met SSI, VNK en VNO-NCW over de invoering van de zelfdovende sigaret.

In juni 2011 heeft EL&I deelgenomen aan het werkbezoek van de VNK aan de kerftabakfabrikant Biggelaar Tabak te Roosendaal.

EL&I heeft in de genoemde periode zo’n vijf tot tien brieven ontvangen van de industrie. Deze brieven gingen onder andere in op bovengenoemde ontwikkelingen in het (internationale) tabaksbeleid, functiewisselingen bij de industrie en reacties van de industrie op EU- en WTO notificaties met betrekking tot voorgenomen regelgeving in andere landen.

Een enkele keer per maand is er telefonisch of via de mail contact met de industrie, meestal op initiatief van de industrie zelf. De afgelopen maanden had dit contact voornamelijk betrekking op reacties van de industrie ten aanzien van EU- en WTO-notificaties.

Vraag 8 en 15

Waarom komen Nederlandse ministeries de naleving niet na van de richtsnoeren voor de implementatie van artikel 5.3 van het WHO Framework Convention on Tobacco Control (FCTC)3, waaruit volgt dat de overheid de interactie met de tabaksindustrie zoveel mogelijk dient te beperken?

Bent u bereid de richtsnoeren van artikel 5.3 van het WHO Framework Convention on Tobacco Control na te leven en de contacten met de tabaksindustrie en haar lobbyisten zoveel mogelijk te beperken? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 8 en 15

Tijdens het mondelinge vragenuur van 25 oktober 2011 heb ik aangegeven dat in de richtlijnen van de WHO over dit onderwerp staat dat wij transparant moeten zijn over contacten met de industrie. Die richtlijnen volg ik.

Vraag 9

Kunt u bevestigen dat de minister van EL&I1 in 2011 in een brief aan VNO-NCW heeft geschreven dat het overleg met het ministerie van VWS over het tabaksbeleid goed is, en dat het ministerie van EL&I «waar nodig [...] de belangen van de industrie onder de aandacht van VWS» brengt? Zo ja, wanneer is deze brief verzonden en aan wie was deze gericht? Wilt u deze brief aan de Kamer verstrekken?

Antwoord 9

Naar aanleiding van een Wob-verzoek van Trouw heeft het ministerie van EL&I alle contacten met de tabaksindustrie in de periode 2000 – juni 2011 openbaar gemaakt. Er is in 2011 geen sprake van een brief van de Minister van EL&I aan VNO-NCW met deze boodschap. Wel heeft EL&I in 2011 langs deze lijn contact gehad met VNO-NCW, naar aanleiding van een vraag over de betrokkenheid van EL&I bij de tabakswetgeving.

Vraag 10

Wanneer, waar, bij wie en op welke punten heeft het ministerie van EL&I sinds 14 oktober 2010 nog meer de belangen van de tabaksindustrie onder de aandacht van het ministerie van VWS gebracht? Wat heeft het ministerie van VWS resp. het kabinet hiermee gedaan?

Antwoord 10

De industrie heeft in de genoemde periode een aantal keer op EU of WTO notificaties gereageerd. Indien de opmerkingen van het Nederlandse bedrijfsleven daar aanleiding toe gaven, zijn medewerkers van het ministerie van EL&I met medewerkers van VWS in overleg getreden om een eventuele Nederlandse reactie te bepalen.4

Vraag 11, 12, 13 en 14

Wat vindt u van het oordeel van voormalig minister Borst die vindt dat Nederland op rookgebied «zo langzamerhand de risee van Europa wordt» en dat de minister van volksgezondheid «sterk beïnvloed» is door de tijd dat ze bij VNO-NCW werkte en ze het rookbeleid beschouwt door de «bril van Philip Morris»?5

Wat vindt u van het vernietigende oordeel van voormalig minister Hoogervorst die zich «geneert» voor het rookbeleid van de minister van Volksgezondheid?5

Wat vindt u van het oordeel van voormalig minister Klink die zegt dat hij het «anders zou doen»?5

Vindt u het niet opmerkelijk dat drie liberaal georiënteerde ministers van Volksgezondheid van D66, VVD en CDA uw liberale beleid afwijzen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 11, 12, 13 en 14

Het moge duidelijk zijn dat ik van mening ben dat ik een weloverwogen rookbeleid voer waarin bescherming van de volksgezondheid en ontmoediging van tabaksgebruik goed in balans is met het belang van individuele verantwoordelijkheid en keuzevrijheid. Ik ben mij er van bewust dat anderen en dus ook voormalige bewindspersonen van VWS daar anders over kunnen denken. Ik laat de kwalificaties die zij daarbij gebruiken voor hun rekening.


X Noot
1

Trouw, «Tabakslobby spreekt mee in Den Haag», 21 december 2011.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, Aanhangsel nr. 830.

X Noot
4

Ter voorkoming van ongerechtvaardigde handelsbarrières door technische eisen aan producten te stellen, dienen alle Lidstaten van de Europese Unie nieuwe regelgeving waarin dergelijke eisen aan producten worden gesteld, vooraf te melden aan de Europese Commissie. Vervolgens stuurt de Commissie deze concept – regelgeving door naar de andere Lidstaten, en plaatst deze op een openbare website (http://ec.europa.eu/enterprise/tris/). De Nederlandse overheid stuurt deze notificaties onder andere naar het bedrijfsleven, om op die manier een inschatting te kunnen maken welke handelseffecten mogelijk optreden naar aanleiding van de voorgestelde regelgeving. Primaire insteek daarbij is het zorgdragen voor correcte naleving van internationaal aangegane verplichtingen door lidstaten en het voorkomen van ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen. Reacties van de Nederlandse overheid op notificaties dienen dan ook in deze context gelezen te worden. Een soortgelijke procedure bestaat ook ter voorkoming van ongerechtvaardigde mondiale handelsbelemmeringen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO – Agreement on Technical Barriers to Trade).

X Noot
5

Trouw, 21 december 2011.

Naar boven