Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011781

Vragen van het lid Van der Steur (VVD) aan de minister van Veiligheid en Justitie over een alternatief voor de traditionele rechtspraak (stichting E-Court) en de rol van de deurwaarder (ingezonden 15 november 2010).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 14 december 2010) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 686.

Vraag 1

Bent u bekend met het feit dat sinds januari 2010 Stichting E-Court een privaatrechtelijke wijze van geschillenbeslechting aanbiedt, die open staat voor partijen die vrijwillig een rechtsgeldige forumkeuze zijn overeengekomen, waarbij de procedure uitmondt inakte waarvan de grosse een executoriale titel is als bedoeld in artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)?

Antwoord 1

Ja. E-Court is een particulier initiatief dat het best te vergelijken is met het bindend advies, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat veronderstelt evenwel een basis van vrijwilligheid bij partijen. Zie verder het antwoord op de vragen 2 t/m 7.

Vraag 2, 3, 4, 5, 6 en 7

Kunt u bevestigen dat de procedure bij Stichting E-Court ook naar uw oordeel gekwalificeerd kan worden als «rechtsingang» of «geding» als bedoeld in dit artikel, op gelijke wijze als deze gekwalificeerd kan worden als «eis in de hoofdzaak» als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv?1 Zo nee, waarom niet?

Wist u dat Stichting E-Court, om te waarborgen dat de oproeping van «gedaagden» in deze alternatieve procedure formeel en zonder problemen verloopt, de tussenkomst van een deurwaarder noodzakelijk acht en de tussenkomst van de deurwaarder via het contractuele procesreglement aan de «eisende partij» oplegt, waarbij duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen deze oproeping en die bij een «gewone» dagvaarding?

Kunt in dat kader bevestigen dat de artikelen 3:317 Burgerlijk Wetboek (BW) jo. artikel 3:37, tweede lid, BW en de artikelen 6:236 BW jo. artikel 3:37, tweede lid, BW een rechtstreekse wettelijke basis vormen voor «verdere exploten» als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b, Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) en dat het uitbrengen van dit soort exploten, die eveneens relevant kunnen zijn voor een eisende partij in een vroeger stadium voorafgaande aan een procedure bij Stichting E-Court, een ambtshandeling is en dus door een deurwaarder kan worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?

Bent u van mening dat het betekenen respectievelijk het executeren van de notariële akte waarin het resultaat is opgenomen van het bindend advies op grond van artikel 430 Rv jo artikel 2, sub c, Gdw ambtshandelingen zijn en dus door een deurwaarder kunnen worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?

Bent u in dit kader van mening dat artikel 45 Rv het doen van exploten als bedoeld in de aanhef van artikel 2, eerste lid, Gdw, aan de gerechtsdeurwaarder opdraagt? Zo nee, waarom niet?

Bent u van mening dat de gerechtsdeurwaarder, gegeven het feit dat deze als een door de Kroon benoemde functionaris met een onafhankelijke positie, bevoegd en gehouden is ambtshandelingen te verrichten op verzoek van de eisende partij in het kader van een procedure bij E-court? Zo nee, waarom niet?

Antwoorden 2, 3, 4, 5, 6, 7

Bij wijze van proefprocedure heeft de stichting E-court vragen met betrekking tot bovenstaande punten voorgelegd aan de Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam. De uitspraak wordt eind van dit jaar verwacht. Voorts heeft mijn ministerie aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) gevraagd om een standpunt over de notaris in de E-court-procedure in te nemen.

Voor een afgewogen oordeel is de zienswijze van onder meer deze partijen noodzakelijk. Daarom wacht ik de uitkomstvan genoemde procedure en nadere standpuntbepaling van de KNB af. Ik zal uw Kamer vervolgens begin 2011 bij brief nader informeren.


XNoot
1

Rb Amsterdam 18-10-2006. JBPR 2007/40, bevestigd door Hof Amsterdam 31-1-2008. JBpr 2008/21 (Van Berenschot/Hoeksema).