Vragen van het lid
Gesthuizen
(SP) aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over het bericht dat technologiebedrijven uitwijken naar
het buitenland (ingezonden 15 november 2010)
Antwoord van minister
Verhagen
(Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) (ontvangen 8 december 2010)
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht dat steeds meer technologiebedrijven uitwijken naar het buitenland?1
Antwoord 1
Het bericht meldt dat door de globalisering van de technologiesector steeds vaker activiteiten van bedrijven in de technologische
industrie naar het buitenland worden verplaatst. Het bericht baseert zich hierbij op een enquêteonderzoek van FME-CWM onder
352 CEO’s van bedrijven in de technologische industrie (leden van FME-CWM). Uit de enquête blijkt dat 33% van de bedrijven
in de technologische industrie plannen heeft om in de nabije toekomst activiteiten te verplaatsen naar het buitenland. Het
onderzoek geeft daarentegen niet aan in hoeverre dit percentage gestegen is ten opzichte van het verleden. De conclusie uit
het artikel dat steeds meer technologiebedrijven uitwijken naar het buitenland, kan ik daarom op basis van deze resultaten
niet vaststellen.
Het verplaatsen van activiteiten is voor bedrijven van belang om internationaal concurrerend te blijven. Door activiteiten
uit te voeren in andere landen, kunnen bedrijven profiteren van kostenverschillen tussen landen en krijgen ze betere toegang
tot klanten en leveranciers, hetgeen hun concurrentiepositie versterkt. Sterke bedrijven dragen bij aan de werkgelegenheid
van Nederland. Bedrijven die activiteiten verplaatsen, zijn verder vaak groeibedrijven die tegelijkertijd banen creëren in
eigen land. Bovendien is niet eenzijdig sprake van verplaatsing van activiteiten van Nederlandse bedrijven naar het buitenland.
Omgekeerd zijn er ook buitenlandse bedrijven die activiteiten naar Nederland verplaatsen.
Vraag 2
Kunt u een overzicht verstrekken van het verloop van het aantal arbeidsplaatsen in Research & Development voor verschillende
technologiesectoren, zoals die in de sleutelgebieden zijn onderscheiden, over de afgelopen jaren?
Antwoord 2
Onderstaand treft u een overzicht aan van het aantal R&D-arbeidsjaren in de sleutelgebieden over de periode 2004–2008. Het
zijn uitkomsten van de tweejaarlijkse Innovatie-enquête, verstrekt door het CBS. In de tabel is ook de ontwikkeling weergegeven
van het aantal R&D-arbeidsjaren in het totale bedrijfsleven.
Ontwikkeling van R&D-personeel in sleutelgebieden en totale bedrijfsleven| |
2004
|
2006
|
2008
|
|---|
| | x 1 000 arbeidsjaren |
| | | | |
Totaal R&D-personeel sleutelgebieden | 34,3 | 36,7 | 32,1 |
w.v. Food & flowers | 2,9 | 3,5 | 2,9 |
Hightechsystemen en materialen | 18,1 | 18,0 | 15,4 |
Water | 0,4 | 0,2 | 0,4 |
Creatieve industrie | 3,9 | 6,0 | 4,6 |
Chemie | 8,7 | 8,6 | 8,6 |
Pensioenen en sociale verzekeringen | 0,3 | 0,3 | 0,2 |
| | | | |
Totaal R&D-personeel bedrijven | 50,0 | 52,8 | 48,4 |
Bron: Innovatie-enquête bedrijven CBS.
De cijfers tonen dat de ontwikkeling van de R&D-werkgelegenheid in de sleutelgebieden sterk overeenkomt met die in de totale
bedrijvensector. Tussen 2004 en 2008 is de R&D-werkgelegenheid in het sleutelgebied hightechsystemen en materialen met 2 700
arbeidsjaren gedaald. Dat sleutelgebied is in belangrijke mate verantwoordelijk voor de daling van de R&D-werkgelegenheid
die tussen 2004 en 2008 heeft plaatsgevonden in het totale bedrijfsleven.
Bij de cijfers kan worden opgemerkt dat de sleutelgebieden moeilijk precies zijn af te bakenen. Het CBS heeft hiervoor een
koppeling gemaakt met de classificatie van economische activiteiten volgens de Standaard Bedrijfsindeling. Die koppeling is
te vinden in een eerder dit jaar verschenen rapport van het CBS, getiteld «Regionale innovatie in Nederland. Community Innovation
Survey 2004 en 2006».
Vraag 3
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat steeds meer hoogwaardige bedrijvigheid naar het buitenland verdwijnt?
Antwoord 3
Het kabinet streeft ernaar dat Nederland dé plek wordt om te ondernemen en te innoveren voor ondernemers uit binnen- en buitenland.
Daartoe zet het kabinet de komende periode in op het versterken van het algemene vestigings- en ondernemingsklimaat en ontwikkelt
het een stimulerend beleid voor de huidige en toekomstige economische topgebieden van Nederland. De contouren van dit beleid
zullen in de komende maanden verder uitgewerkt worden. In 2011 zal het kabinet het nieuwe economische en innovatiebeleid vastleggen
in een nota bedrijfslevenbeleid.
Het kabinet zet daarbij, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, de ontwikkeling van economische topgebieden centraal. Het
is de bedoeling dat binnen deze topgebieden de overheid, het bedrijfsleven en de kenniswereld tot een gemeenschappelijke agenda
komen ter versterking van de concurrentiekracht. Hierin zal vanuit een brede benadering worden gekeken naar de wijze waarop
innovatie en economische groei het beste gestimuleerd kunnen worden. Uitgangspunt is een samenhangende benadering van fundamenteel
onderzoek (NWO, KNAW, universiteiten), toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO) en het bedrijfsgerichte instrumentarium. Het
gaat daarbij niet alleen om financiële instrumenten voor innovatie. Minstens zo belangrijk is zorg te dragen voor een goed
vestigingsklimaat; daarbij gaat het om zaken als regelgeving, opleiding en scholing, belastingklimaat, kenniswerkers, etc.
Kortom, het kabinet zal zich over de volle breedte inzetten voor het versterken van de kenniseconomie. We zullen daarbij drie
sporen volgen: het scheppen van de juiste randvoorwaarden voor ondernemerschap en innovatie (o.a. afschaffen van onnodige
regels); het aanbieden van een eenvoudig en transparant bedrijfgericht innovatie-instrumentarium (o.a. beperking van innovatiesubsidies,
uitbreiding van fiscale voorzieningen en inrichten van een revolverend fonds); en de inzet op een effectieve kennisinfrastructuur
waarin samenhang en valorisatie centraal staan.
XNoot
1 Het Financieele Dagblad, «Bedrijven wijken uit naar het buitenland», 11 november 2011.