Vragen van de leden Omtzigt en van Hijum (beiden CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over bijstorten in de pensioenpolis (ingezonden 2 november 2010).

Antwoord van minister Kamp (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 30 november 2010)

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van het artikel «Pensioenstrop voor oude baas bij waardeoverdracht»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Is het waar dat een werkgever bij vertrek van zijn werknemer soms tienduizenden euro’s moet bijstorten in de pensioenpolis bij de verplichte waardeoverdracht? Hoe vaak komt zo'n verplichte bijstorting per jaar voor?

Antwoord 2

Dergelijke situaties kunnen zich voordoen bij werkgevers die hun pensioenregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar en die met uitgaande waardeoverdracht worden geconfronteerd naar een andere verzekeraar. SZW, noch DNB beschikt over gegevens hoe vaak dit in de praktijk voorkomt. Wel heb ik de indruk op grond van een schatting van het Verbond van Verzekeraars, dat bijbetaling kan leiden tot individuele problemen bij in potentie een omvangrijke groep bedrijven in het midden- en kleinbedrijf.

De bijbetalingsproblematiek zoals in de vragen geschetst, kan zich voordoen als de overdrachtswaarde van de pensioenaanspraken bij uitkering- en kapitaalovereenkomsten en bij premieovereenkomsten waarbij tussentijds een aanspraak op kapitaal of uitkering wordt ingekocht, meer bedraagt dan het tot dat moment gefinancierde deel van de aanspraken. Voor zover die aanspraken niet zijn gefinancierd, dient dit bij de waardeoverdracht alsnog te gebeuren. De berekening van de overdrachtswaarde geschiedt sinds 2008 aan de hand van de marktrente (rentetermijnstructuur). Deze rente is tussen 2008 en 2011 gedaald van 4,926% naar 2,984%. Deze daling kan leiden tot bijbetaling door de oude werkgever.

Verandering van baan leidt overigens lang niet altijd tot forse bijbetalingen:

  • 1. Bijbetaling zoals hier aan de orde, doet zich alleen voor bij wisseling van de ene naar de andere pensioenverzekeraar, terwijl veel werkgevers zijn aangesloten bij een pensioenfonds of een eigen fonds hebben.

  • 2. De omvang van de bijbetalingsproblematiek is het grootst bij die pensioenvormen die thans nog amper bestaan, nl. eindloonregelingen. Bij de veel meer gebruikelijke middelloonregelingen is de problematiek zeer beperkt vanwege het minieme renteverschil (verzekeraars rekenen bij middelloonregelingen met een rente van 3%, terwijl de marktrente voor 2011 ligt op 2,984%).

  • 3. De omvang van de bijbetalingslast is gekoppeld aan de omvang van de waardeoverdracht. Beide worden uiteindelijk bepaald door het aantal jaren pensioenopbouw dat wordt overgedragen. Het kabinet heeft recent een aantal feitelijkheden rond waardeoverdracht laten onderzoeken. Uit dat onderzoek, dat u separaat zal worden aangeboden, blijkt dat waardeoverdracht in een ruime meerderheid (67%) van de gevallen de pensioenopbouw van vijf jaar of minder betreft. De omvang van het over te dragen pensioen is daarmee doorgaans beperkt, evenals de omvang van de bijbetaling.

  • 4. De daling van de rentetermijnstructuur kan ook gunstige effecten hebben voor werkgevers bij inkomende waardeoverdracht; mogelijk ontvangen (nieuwe) werkgevers een terugstorting van hun verzekeraar. Dat is ook de reden waarom deze problematiek amper effect heeft bij grote werkgevers, waar in- en uitstroom van werknemers en in- en uitgaande waardeoverdrachten elkaar redelijk in evenwicht houden. Dat ligt anders bij kleine werkgevers, waar de voor- en nadelen niet altijd bij dezelfde werkgever, of op hetzelfde moment neerslaan.

Een en ander laat echter onverlet dat het in individuele situaties kan gaan om forse bedragen en dat die situaties zich bij veel bedrijven in het midden- en kleinbedrijf kunnen voordoen.

Vraag 3 en 4

Deelt u de mening dat deze verplichte nabetaling zeer belemmerend kan werken op de arbeidsmarkt en dat er snel een oplossing gezocht moet worden voor het probleem van bijbetalingen voor beide werkgevers bij de verplichte waardeoverdracht van pensioenen?

Op welke wijze gaat u uitvoering geven aan de motie die vraagt om een einde van de bijbetalingsproblematiek en die nog steeds niet is uitgevoerd?2

Antwoord 3 en 4

Op zich zou het kunnen dat de bijbetalingsproblematiek de arbeidsmarktmobiliteit tegenwerkt. Ik heb hierover geen harde gegevens. Voor het effect op de arbeidsmobiliteit is nog van belang dat doorgaans pas nadat een werknemer van baan is gewisseld en de nieuwe werkgever betrokkene heeft aangenomen, eventuele waardeoverdracht aan de orde is. Eerst dan ontstaat ook zicht op (de hoogte van) de bijbetaling. Dan heeft de wisseling van baan wel al plaatsgevonden.

Overigens is waardeoverdracht niet verplicht. Wel zijn er situaties waarin een pensioenuitvoerder op grond van de pensioenregelgeving moet meewerken als een ex-deelnemer verzoekt om waardeoverdracht. Het komt voor dat werkgevers in geval van bijbetaling, werknemers verzoeken om af te zien van hun recht op waardeoverdracht. Zo kunnen werkgevers de bijbetalingsproblematiek voorkomen. Voor werknemers hoeft het achterwege laten van waardeoverdracht – bijvoorbeeld bij middelloon- en beschikbare premieregelingen – niet financieel nadelig te zijn.

Daar waar gevraagd wordt om een oplossing voor beide werkgevers, ga ik er vanuit dat hiermee de situaties zijn bedoeld waarin sprake is van bijbetaling door de oude of de nieuwe werkgever zoals aan de orde in artikel 26 Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, respectievelijk artikel 19, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Ik ben met de Kamer eens dat een oplossing voor beide bijbetalingsvraagstukken wenselijk is. Er zijn schrijnende situaties mogelijk bij beide kwesties. Ik zal – met de Stichting van de Arbeid en het pensioenveld – inventariseren hoe deze effecten kunnen worden weggenomen of beperkt. In de reeds voorgenomen meer fundamentele discussie over waardeoverdracht zal dit aspect separaat en met voorrang worden behandeld.

Ik zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in het eerste kwartaal van 2011, informeren.

Vraag 5

Heeft u of de toezichthouder inzicht in de omvang van de niet afgefinancierde verplichtingen bij Nederlandse verzekeraars?3 Zo nee, wilt u daar onderzoek naar doen?

Antwoord 5

Er is geen sprake van niet afgefinancierde verplichtingen. Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen verzekeraars de pensioenverplichtingen af te financieren. De bijbetalingen zoals hier bedoeld, vinden niet hun oorzaak in onvoldoende affinanciering, maar in verschillen in rentevoeten als waardeoverdracht plaatsvindt. Het gaat dan om verschillen tussen de rentevoet die door de verzekeraar wordt gehanteerd richting de deelnemer, de rentevoet die de verzekeraar hanteert voor de bepaling van de technische voorzieningen en de rentevoet die geldt voor de berekening van de over te dragen waarde.

DNB heeft geen inzicht in de omvang van de bijbetalingen. Wat mijn ministerie betreft verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.


XNoot
1

De Telegraaf, 27 oktober 2010.

XNoot
2

Kamerstukken II 2007/08, 31 226, nr. 30.

XNoot
3

Vaak is de verzekeraar zelf verantwoordelijk indien iemand tot het eind in dienst blijft bij de verzekeraar. Wanneer Solvency-II van kracht wordt, dienen verzekeraars het langlevenrisico en het renterisico vanzelfsprekend volledig af te financieren.

Naar boven