Vragen van het lid
Jasper van Dijk
(SP) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over een HBO-docent die studenten zonder de vereiste kwaliteiten
een diploma geeft (ingezonden 8 september 2010).
Antwoord van staatssecretaris
Zijlstra
(Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 12 november 2010).
Vraag 1
Wat is uw oordeel over de uitzending van EenVandaag met een HBO-docent die studenten een diploma geeft, zonder dat zij over
de vereiste kwaliteiten beschikken?1
Antwoord 1
Indien een docent moet beoordelen of een student aan de eisen van een tentamen of examen voldoet, dan behoort hij zich uitsluitend
door kwaliteitsstandaarden te laten leiden. Als dat in dit geval niet gebeurd is, dan betreur ik dat. Ik stel overigens vast
dat de leiding van de betreffende hogeschool én veel docenten publiekelijk ook eenzelfde reactie hebben gegeven.
De hogeschool heeft mij heeft laten weten dat individuele docenten niet beslissen over het wel of niet uitreiken van een diploma.
Niet alleen zijn in de eindfase meer docenten bij die afweging betrokken (vaak ook onafhankelijke deskundigen), het geheel
is ook ingebed in een geformaliseerd toetsbeleid, waarbij de examencommissie een belangrijke rol speelt. En het toetsbeleid
is een belangrijk aandachtsgebied bij de accreditatie (zie ook het antwoord op vraag 2).
Vraag 2
Hoe is het mogelijk dat studenten zonder het vereiste niveau toch in de eindfase van een opleiding kunnen belanden en daarna
uit empathie een diploma wordt verstrekt?
Antwoord 2
Het is niet aan mij om te oordelen over individuele casuïstiek. Theoretisch kan het voorkomen, wanneer de tussentijdse toetsing
binnen een opleiding niet op orde is, dat een student zonder het vereiste niveau in de eindfase van een opleiding belandt.
Toetsing en examinering zijn echter belangrijke ijkpunten in de kwaliteitszorg en de accreditatie. In het accreditatiestelsel,
zoals dat met ingang van volgend jaar van kracht is, zijn deze eisen verscherpt. Als alleen al het onderdeel examens en toetsing
van een accreditatie negatief wordt beoordeeld, verliest een opleiding haar accreditatie. Daarmee kunnen situaties, zoals
in de vraag bedoeld, in de regel worden voorkomen.
Vraag 3
Deelt u de mening dat een bekostiging die meer is gericht op de nominale studieduur (en minder op diploma's), nog steeds een
prikkel bevat om studenten zo snel mogelijk te laten afstuderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Antwoord 3
Ik vind het goed dat we instellingen én studenten stimuleren met succes een diploma te behalen. Dat studenten daarbij worden
gestimuleerd om niet al te lang te doen over het behalen van hun diploma, vind ik een goede zaak. Naarmate er immers meer
vertraging in de studie optreedt, is de kans op uitval in de eindfase van de studie groter. Waar het om gaat is dat de bekostiging
in evenwicht is met de inspanningsverplichtingen van de hoger onderwijsinstellingen en niet voornamelijk is gericht op outputfinanciering.
Met het bekostigingsmodel dat per 2011 in werking gaat treden is daarin voorzien. In het huidige model ontvangen de hogescholen
het merendeel van hun onderwijsbekostiging (ca. 60–80%) bij de afgifte van het bachelordiploma. Dit percentage wordt in het
model, dat per 2011 in werking treedt, verlaagd naar ca. 20%.
Vraag 4
Deelt u de mening dat een landelijk vastgesteld eindniveau en centrale examens meer garanties bieden tegen gesjoemel met diploma's?
Zo nee, hoe voorkomt u dat de samenleving en de arbeidsmarkt (door alle onthullingen) steeds minder goed weten wat de waarde
van een HBO-diploma is?
Antwoord 4
Ik hecht eraan te benadrukken dat in dit stadium niet is aangetoond dat hbo-diploma’s ten onrechte zijn afgegeven. De signalen
daarover worden uiteraard wel zeer serieus genomen, zowel door de hogescholen als door mij. Naar die signalen lopen onderzoeken
van de Inspectie van het Onderwijs.
In de brief van 28 juli jl. (Kamerstuk II, 31 288, nr. 109) is uiteengezet wat de checks and balances in het stelsel van het Nederlandse hoger onderwijs zijn evenals de aanscherpingen daarvan die in deze kabinetsperiode zijn
ingevoerd. Met uw Kamer wil ik nader overleg voeren over de vraag of deze adequaat zijn om samenleving en arbeidsmarkt vertrouwen
te geven in de waarde van hbo-diploma’s. Ik stel voor dit te doen naar aanleiding van de eindrapportage van de inspectie.
Vraag 5
Wanneer is het op 20 juli jl. aangekondigde onderzoek van de Inspectie naar de HBO-diploma's klaar? Wordt bovenstaande zaak
daar ook bij betrokken?
Antwoord 5
De tussenresultaten van het onderzoek van de inspectie is in uw bezit. InHolland is daarin meegenomen. Het op korte termijn
weer op orde brengen van de kwaliteit van het onderwijs bij InHolland acht ik van het grootste belang om er zorg voor te kunnen
dragen dat de studenten van deze instelling zo min mogelijk hinder ondervinden van de problemen.
Tegen deze achtergrond wil ik waarborgen dat de benodigde verbeteringen inclusief het naleven van de wet- en regelgeving met
de grootst mogelijk spoed worden gerealiseerd. De inspectie zal daarom de belangrijkste onderdelen van het verbeterplan de
grootst mogelijk aandacht geven en mij over de voortgang daarvan voorzover op dat moment te beoordelen uiterlijk half januari
rapporteren. Dit betreft in elk geval ook de vragen die na het rapport Leers zijn opgeroepen over het moment waarop het college
van Bestuur op de hoogte was van de situatie bij MEM en de signalen over mogelijke onoorbare druk op docenten. Mocht blijken
dat verbeteringen onvoldoende zijn doorgevoerd zal ik een nader te bepalen sanctie opleggen aan de instelling. Dit staat los
van eventuele sancties mocht definitief blijken dat er diploma’s onrechtmatig zijn verstrekt. Over het gerealiseerde niveau
zal in april 2011 worden gerapporteerd.
XNoot
1 EenVandaag, 6 september 2010.