Vragen van het lid Van der Ham (D66) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over pilot met diploma’s bij InHolland (ingezonden 13 juli 2010).

Antwoord van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 12 november 2010).

Vraag 1

Wat is uw reactie op de methode van InHolland die tussen 2008 en 2010 aan een 250-tal studenten middels een speciaal traject een diploma heeft verschaft? Hoe beoordeelt u deze gang van zaken? Acht u de kwaliteit van deze methode van voldoende niveau?1

Antwoord 1

Uit nader onderzoek en analyse daarop van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat het hier om een verontrustende situatie gaat. Zoals eerder met uw Kamer is besproken tijdens het spoeddebat van 30 september jl., is de methode die in de vraag wordt bedoeld toegepast in het kader van een alternatief afstudeertraject van de opleiding Media & Entertainment Management (MEM) van hogeschool InHolland. Na publicatie over deze methode in de Volkskrant en andere media in juli jl. heeft nader onderzoek naar dit afstudeertraject plaatsgevonden door de Commissie Leers. Het onderzoek van deze commissie is in eerder genoemd spoeddebat besproken en inmiddels nader geanalyseerd door de inspectie. De analyse van de inspectie is opgenomen in de tussenrapportage alternatieve afstudeertrajecten in het hoger onderwijs, die ik uw Kamer op 19 oktober jl. heb toegezonden.

Uit het onderzoeksrapport en de analyse van de inspectie blijkt dat er in ieder geval 104 getuigschriften zijn uitgereikt waarvoor geldt dat:

  • de kwaliteit van het begeleidings -en beoordelingsproces onvoldoende is geborgd

  • de Wet op het hoger onderwijs op een aantal belangrijke punten niet is nageleefd (o.a. wat betreft de bevoegdheden van het personeel om als examinator op te treden en het gebrek aan betrokkenheid van de examencommissie bij de inrichting en uitvoering van de alternatieve afstudeertrajecten).

Verder is er onvoldoende sprake geweest van rekenschap en verantwoording en corrigerende mechanismen hebben onvoldoende gewerkt.

Mijn oordeel over deze gang van zaken is dat deze onacceptabel is.

Mijn oordeel over de kwaliteit van dit afstudeertraject houd ik, afgezien van de hiervoor gemaakte opmerking over de kwaliteit van de begeleiding en beoordeling, aan totdat de inspectie in samenwerking met de NVAO het niveau van de afgestudeerden heeft beoordeeld (april 2011).

Vraag 2

Heeft in deze periode de Inspectie van het Onderwijs op enige wijze een rol vervuld in het bekritiseren of tegengaan van deze methode? Is er contact geweest tussen docenten en/of studenten aangaande deze zaak? Hoe beoordeelt u de positie van de Inspectie van het Onderwijs? 

Antwoord 2

Tot voor de in het vorige antwoord genoemde mediapublicaties waren er geen signalen over de specifieke situatie bij MEM bekend bij de inspectie. Of er tussen studenten en/of docenten contact is geweest over deze zaak is mij niet bekend. De inspectie is dit voorjaar een onderzoek naar (ver)korte studietrajecten in het hoger onderwijs gestart. Juist na afronding van het vooronderzoek publiceerde de Volkskrantop 10 juli een artikel met de boodschap dat bij de MEM van Hogeschool Inholland langstuderende studenten te lichtvaardig een diploma hadden ontvangen op basis van een alternatief afstudeertraject. Al snel ontstond een golf van min of meer vergelijkbare berichten over andere opleidingen en instellingen bij officiële meldpunten en in diverse media.

De inspectie kondigde daarop in juli jl. een onderzoek aan naar alternatieve afstudeertrajecten onder alle instellingen in het hoger onderwijs. Bij brief van 28 juli werd de Tweede Kamer daarover geïnformeerd (Kamerstukken II, 2009–2010, 31 288, nr. 109). De tussenrapportage van dit onderzoek is sinds 19 oktober jl. in uw bezit. Daarin constateert de inspectie een aantal risico’s rondom alternatieve afstudeertrajecten.

In het kader van het vervolgonderzoek zal de inspectie waar nodig ook contact zoeken met docenten en studenten. De inspectie zit dus bovenop deze zaak.

Vraag 3

Wat is uw oordeel over de stelling van de bestuursvoorzitter van InHolland dat het hier een pilot betrof? Welke ruimte heeft een instelling om op deze wijze pilots te organiseren? Op welke wijze wordt een minimale kwaliteit gegarandeerd van dergelijke pilots?

Antwoord 3

Instellingen in het hoger onderwijs hebben, binnen de grenzen van wet- en regelgeving de ruimte om pilots voor langstudeerders te organiseren. Ik ben van oordeel dat dergelijke pilot op zich geen risico hoeft te vormen voor het eindniveau, vooropgesteld dat aan de kwaliteit van het onderwijs en de examinering geen concessies worden gedaan en de regelgeving wordt nageleefd.

Vraag 4

Is er reden voor u om nadere maatregelen te nemen naar aanleiding van deze gang van zaken?

Antwoord 4

Ja, want er zijn onacceptabele risico’s ontstaan voor de waarde van diploma’s.

Er lopen twee onderzoekstrajecten van de inspectie:

  • het landelijk onderzoek naar alternatieve afstudeertrajecten in het hoger onderwijs

  • het vervolgonderzoek bij hogeschool InHolland.

Onderdelen van laatstgenoemd onderzoek zijn:

  • Wat is de rol geweest van het College van Bestuur van InHolland? Was het College eerder op de hoogte van het alternatieve afstudeertraject van de MEM dan door het College is aangegeven? Is er door het College krachtig genoeg opgetreden toen het eenmaal wel op de hoogte was?

  • Ook bij andere opleidingen van InHolland wordt onderzoek gedaan naar alternatieve afstudeertrajecten.

  • Vijf aandachtsgebieden:

    • · Niveau van de afgestudeerden

    • · Naleving Wet op het hoger onderwijs

    • · Al dan niet onrechtmatig verkregen bekostiging

    • · Governance (sturing College, interne kwaliteitszorg, medezeggenschap, intern toezicht, waaronder de rol van de Raad van Toezicht)

    • · Monitoring verbeterplan MEM.


XNoot
1

de Volkskrant 10 juli 2010, «Slechte scriptie, toch je bul».

Naar boven