Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20113647

Vragen van het lid Gesthuizen (SP) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de minister voor Immigratie en Asiel over de gebeurtenissen in het detentiecentrum voor asielzoekers in Rotterdam van afgelopen week (ingezonden 31 augustus 2011).

Antwoord van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister voor Immigratie en Asiel (ontvangen 14 september 2011).

Vraag 1

Klopt het dat er donderdag 25 augustus jl. een demonstratie van (ongedocumenteerde) asielzoekers heeft plaatsgevonden in het detentiecentrum Rotterdam?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3 en 4

Klopt het dat deze asielzoekers een vreedzame sit-in hebben gehouden, omdat zij van mening zijn dat hun situatie weinig verschilt van de situatie van strafrechtelijk veroordeelden?

Wat is er tijdens en na deze demonstratie precies gebeurd? Klopt het dat er geweld is gebruikt? Hoeveel asielzoekers waren hierbij betrokken?

Heeft de interne Mobiele Eenheid (ME) in eerste instantie geprobeerd om de asielzoekers op een vreedzame manier terug te begeleiden naar hun cel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u toelichten waarom het noodzakelijk was om de ME gewelddadig te laten optreden? Hoeveel ME-ers zijn hierbij ingezet en acht u deze handelswijze noodzakelijk en proportioneel?

Antwoord 2, 3 en 4

Op het tijdstip waarop insluiting zou plaatsvinden weigerden op drie afdelingen de ter fine van uitzetting ingesloten vreemdelingen op aanwijzing van het toezichthoudend personeel hun verblijfsruimte in te gaan. Op twee van de drie afdelingen was bemiddeling van het personeel en de toezegging van contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek voldoende om betrokkenen alsnog te bewegen naar hun verblijfsruimte te gaan. Tegen één persoon die opruiend en intimiderend gedrag vertoonde is disciplinair opgetreden.

Op de derde afdeling vond na meerdere weigeringen van de ongeveer vijftig ingeslotenen om terug te keren naar hun verblijfsruimte een gesprek plaats tussen afgevaardigden van de vreemdelingen en twee afdelingshoofden. Ongeveer de helft van de betrokken vreemdelingen heeft na dit gesprek alsnog zijn medewerking verleend aan de insluiting. De andere helft weigerde echter verdere medewerking. Bovendien trachtten drie van hen hun mede-ingeslotenen verder op te stoken en traden zij verbaal en fysiek intimiderend op. Hierop is een beroep gedaan op een intern bijstandsteam. Het interne bijstandsteam kan worden ingezet bij de handhaving van de orde en/of de veiligheid in de inrichting en het beheersbaar maken van incidenten met een verhoogd veiligheidsrisico waarbij de mogelijkheid bestaat dat geweld moet worden toegepast. Het team bestaat uit medewerkers uit de inrichting die volgens vastgestelde geweldsinstructies werken en hier speciaal toe zijn opgeleid en toegerust. Een deel van de vreemdelingen die nog steeds weigerden naar hun verblijfsruimte terug te keren is bij de aantocht van het interne bijstandsteam op de grond gaan zitten. Zij hebben daarbij geen verzet gepleegd. De commandant van het interne bijstandsteam heeft hen daarop opnieuw verzocht mee te werken, hetgeen zij uiteindelijk hebben gedaan. Zij zijn één voor één door enkele leden van het bijstandsteam naar hun verblijfsruimte gebracht. Hierbij is geen geweld toegepast.

Vraag 5

Bent u bereid om onderzoek te doen naar het incident? Gaat u de filmbeelden van de camera’s ter plaatse bewaren en medische rapporten over verwondingen van asielzoekers bewaren ten behoeve van het onderzoek?

Antwoord 5

Op de afdelingen hangen geen camera's. Het afdelingshoofd en de commandant van het interne bijstandsteam hebben verslag uitgebracht aan de directeur van de inrichting. Er is alleen dwang gebruikt. Geen van de betrokken vreemdelingen heeft verwondingen opgelopen. De gang van zaken vormt voor mij geen aanleiding voor een nader onderzoek.

Vraag 6 en 8

Klopt het dat een aantal asielzoekers na genoemd incident in isoleercellen is geplaatst? Hoeveel asielzoekers betreft het? Hoe lang verblijven ze reeds in de isoleercellen en hoe lang zullen ze hier nog moeten verblijven? Indien ze reeds in vrijheid zijn gesteld, hoe lang hebben ze in die cellen gezeten?

Klopt het dat één van de betrokkenen als sanctie twee weken isoleercel opgelegd heeft gekregen? Zo nee, wat dan wel? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?

Antwoord 6 en 8

In totaal hebben vier vreemdelingen wegens opruiend en intimiderend gedrag een disciplinaire straf opgelegd gekregen. Zij uitten zich opruiend richting mede ingeslotenen en manifesteerden zich verbaal en fysiek intimiderend richting mede ingeslotenen en medewerkers. Het karakter van de uitingen was dermate ordeverstorend en intimiderend dat de directeur hierin grond zag voor het opleggen van afzondering voor de duur van 14 dagen. Een van de personen die betrokken was bij het incident heeft met zijn gedrag de orde en veiligheid in het detentiecentrum Rotterdam ernstig in gevaar gebracht. Mede gelet op zijn strafrechtelijke verleden waarvoor hij ook tot ongewenst vreemdeling is verklaard en zijn eerdere ontvluchting uit detentie is betrokkene, na ommekomst van zijn disciplinaire straf, overgebracht naar een andere inrichting.

Vraag 7

Met hoeveel personen zitten de asielzoekers in één isoleercel? Hoeveel isoleercellen heeft het detentiecentrum Rotterdam?

Antwoord 7

Het detentiecentrum beschikt over 24 afzonderingsverblijven. Deze verblijven zijn bestemd voor één persoon. Er worden nooit meerdere personen in een afzonderingsverblijf geplaatst.

Vraag 9

Is plaatsing in de isoleercellen een standaardprocedure na een dergelijke demonstratie? Zo ja, acht u deze disciplinaire maatregel proportioneel en waarom? Ben u bereid dit te veranderen? Zo nee, hoe komt het dat deze procedure nog steeds wordt gehanteerd?

Antwoord 9

De disciplinaire straffen zijn uitsluitend opgelegd aan de vier personen die opruiend en intimiderend gedrag vertoonden. Aan alle overige personen op de afdeling is geen disciplinaire straf opgelegd, ook niet na hun initiële weigering om mee te werken aan insluiting.

Vraag 10

Hoeveel asielzoekers zitten vast in het detentiecentrum Rotterdam en hoe lang zitten zij hier gemiddeld? Waarom zet u asielzoekers in een dergelijk detentiecentrum?

Antwoord 10

Op peildatum 24 augustus 2011 waren 449 personen ingesloten in het detentiecentrum Rotterdam. De gemiddelde detentieduur van deze personen bedroeg 112 dagen.

Op grond van artikel 6 Vw2000 kan de vrijheid worden ontnomen van een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd. De reden om deze maatregel toe te passen is te voorkomen dat de vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland geweigerd is – maar die Nederland niet onmiddellijk kan verlaten – zich in de tijd tot aan zijn vertrek toch de feitelijke toegang tot Nederland kan verschaffen. Op grond van artikel 59 Vw2000 kan een vreemdeling met het oog op de uitzetting in bewaring worden gesteld. Het doel van deze maatregel is te voorkomen dat de vreemdeling zich aan het toezicht onttrekt terwijl zijn/haar uitzetting wordt voorbereid.

In het detentiecentrum Rotterdam zijn in de regel geen personen ondergebracht die nog in afwachting zijn van de behandeling van hun asielverzoek.

Vraag 11

Bent u bekend met het rapport van Amnesty International d.d. 5 november 2010 over de omstandigheden in onder andere het detentiecentrum Rotterdam?

Antwoord 11

Ja.

Vraag 12

Erkent u dat vreemdelingdetentie grotendeels overeenkomt met de strafmaatregel uit het strafrecht? Zo nee, waarom niet? Bent u het ermee eens dat asielzoekers geen zicht hebben op het einde van hun detentie, maar veroordeelden wel? Zo ja, acht u dit wenselijk?

Antwoord 12

Strafrechtelijke detentie is gericht op bestraffing en resocialisatie. Vreemdelingenbewaring is geen strafrechtelijke maatregel, maar een bestuursrechtelijke maatregel. Vreemdelingenbewaring is er slechts op gericht betrokkene beschikbaar te houden voor (de voorbereidingen van) het vertrek. De aard van de detentie is derhalve verschillend. Dit komt ook tot uitdrukking in het gevoerde regime. Ik verwijs in dit kader naar de heroriëntatie die door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is uitgevoerd, en er onder meer op was gericht de bestuursrechtelijke aard van de vreemdelingenbewaring nadrukkelijker in het regime tot uitdrukking te laten komen. Deze behelsde onder meer uitbreiding van het aantal bezoekuren, uitbreiding van het activiteitenprogramma en inrichting van een juridisch loket. De toenmalige minister van Justitie heeft u hierover bij brief van 29 juni 2010 geïnformeerd (TK 2009–2010, 19 637, nr. 1353).

Ik onderschrijf niet dat vreemdelingen die in vreemdelingenbewaring zijn gesteld geen zicht hebben op het einde van hun detentie. De duur van de detentie is beperkt tot de periode die strikt noodzakelijk is om het vertrek uit Nederland te realiseren. Indien de vreemdeling besluit om actief aan het vertrek te werken, kan het vertrek bijzonder snel gerealiseerd worden, en kan de detentieduur kort blijven. De vreemdeling heeft daarmee zelf in de hand in hoeverre er zicht is op een einde aan zijn of haar detentie.

Vraag 13

Vindt u dat vreemdelingendetentie een ultimum remedium is, conform internationale mensenrechtenstandaarden, de Terugkeerrichtlijn en uitspraken van de minister van Justitie? Bent u het ermee eens dat dit uitgangspunt een dode letter is, indien niet eerst wordt gekeken naar alternatieven?

Antwoord 13

Vreemdelingenbewaring dient ter fine van uitzetting. Het Nederlandse beleid gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om Nederland te verlaten wanneer niet (langer) sprake is van rechtmatig verblijf. Gedwongen vertrek – en daarmee vreemdelingenbewaring – komt pas aan de orde als de vreemdeling deze verantwoordelijkheid niet (tijdig) neemt en lichtere middelen niet (langer) aan de orde zijn. In dit kader kan vreemdelingenbewaring worden toegepast indien deze maatregel noodzakelijk is om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan toezicht onttrekt. Gelet hierop meen ik dat vreemdelingenbewaring voldoet aan het uitgangspunt dat het als ultimum remedium wordt gebruikt.

Vraag 14

Erkent u dat er alternatieven beschikbaar zijn, onder andere genoemd in dit rapport? Gaat u deze alternatieven uitwerken en in de praktijk brengen? Neemt u hierbij de aanbevelingen over uit het rapport van Amnesty International? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 14

Er zijn alternatieven voor bewaring beschikbaar. Deze zijn echter niet altijd effectief. Naar aanleiding van de motie van het lid Gesthuizen is hiernaar het afgelopen half jaar onderzoek gedaan. Daarbij is het Amnesty rapport betrokken. Er is in het kader van het onderzoek ook een gesprek geweest met vertegenwoordigers van Amnesty. De uitkomst van het onderzoek is met uw Kamer gecommuniceerd via de Terugkeerbrief. De alternatieven voor bewaring zoals Amnesty die ziet vallen grotendeels samen met de mogelijkheden die ik thans bezie. Of deze mogelijkheden daadwerkelijk uitvoerbaar zijn en op welke wijze daaraan invulling zal worden gegeven zal later dit jaar aan uw Kamer worden medegedeeld.

Vraag 15 en 16

Erkent u dat er geen verband is tussen «algemeen aanvaard» en «humaan gelet op het antwoord op eerdere Kamervragen, waarin u stelt dat vreemdelingenbewaring algemeen aanvaard is en daarmee verantwoord en humaan?2 Zo nee, kunt u toelichten hoe u het verband tussen deze begrippen ziet?

Hoe verklaart u de conclusie uit het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing dat dergelijke vreemdelingenbewaring op gespannen voet staat met onder andere de European Prison Rules en de artikelen 5 en 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de kranten van de mens en Fundamentele vrijheden? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 15 en 16

Het rapport van de ISt waaraan gerefereerd wordt heeft betrekking op meerpersoonscellen (MPC). De belangrijkste conclusie van de ISt was dat «het meerpersoonscelgebruik inmiddels algemeen aanvaard is en niet die grote problemen heeft opgeleverd die sommigen bij de invoering ervan hadden voorzien». Hoewel de ISt dus constateert dat MPC-gebruik inmiddels algemeen aanvaard is, is zij desondanks van mening dat het standaard toepassen van MPC in de vreemdelingenbewaring op gespannen voet staat met de European Prison Rules. In mijn reactie op het ISt-rapport heb ik aangegeven de opvatting van de ISt op dit punt niet te delen. Er is geen sprake van dat personen die in een MPC geplaatst zijn slechter af zouden zijn dan personen die in een eenpersoonscel zijn geplaatst. Overigens wijs ik erop dat de door de Raad van Europa opgestelde European Prison Rules geen dwingende rechtskracht hebben.

In mijn eerdergenoemde beleidsreactie op het rapport van de ISt heb ik geen koppeling gelegd tussen «algemeen aanvaard» en «humaan». Humaan is een subjectief begrip over de invulling waarvan van mening kan worden verschild. Ik ben van mening dat de wijze waarop in Nederland de vreemdelingenbewaring wordt vormgegeven de (internationale) toets der kritiek kan doorstaan.

Vraag 17

Bent u bereid om deze vragen op de kortst mogelijke termijn maar in ieder geval binnen een week te beantwoorden?

Antwoord 17

De beantwoording van deze vragen heeft op de kortst mogelijke termijn plaatsgevonden, maar heeft mede vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming langer geduurd dan een week.


X Noot
1

Trouw , «Was het de wapenstok of zachte dwang?», 27 augustus 2011

X Noot
2

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3240.