Vragen van het lid
Spekman
(PvdA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het aantal kinderen dat in armoede opgroeit (ingezonden 11 oktober
2010).
Antwoord van staatssecretaris
De Krom
(Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 2 november 2010).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «11 procent kinderen groeit op in armoede?»1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vraag 2
Is het waar – dat uit cijfers van het Centraal Planbureau blijkt – dat in totaal 382 000 minderjarige kinderen in armoede
opgroeien, en dat dit 11% procent is van het totaal aantal minderjarige kinderen?
Antwoord 2
Het bericht refereert aan een publicatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waarin feitelijke cijfers worden
gepresenteerd over het aantal minderjarige kinderen in huishoudens tot 120% van het sociaal minimum in 2008. Dit aantal wordt
door het CBS op 385 000 geraamd (dat is 11% van het totaal aantal minderjarige kinderen). Het risico op armoede bij kinderen
is in 2008 lager dan in 2000. Het CBS verbindt aan de raming van 385 000 de conclusie dat deze kinderen in 2008 een kans op
armoede hadden. Het CBS concludeert in haar onderzoek dat het begrip armoede niet in één definitie wetenschappelijk te bepalen
is en heeft voor haar onderzoek om praktische redenen gekozen om zich te beperken tot financiële armoede (een bepaald consumptieniveau
ten opzichte van het huishoudinkomen). Zij achten huishoudens die onder deze grens zitten het meest risicovol op (financiële)
armoede. Een gezinsinkomen tot 120% van het sociaal minimum betekent niet automatisch dat er sprake is van armoede. Nederland
kent een sociaal minimum dat toereikend wordt geacht om in het bestaan te voorzien. Daarnaast kan een laag inkomen ook tijdelijk
van aard zijn.
In vergelijking met andere Europese landen heeft Nederland overigens een laag aantal kinderen met risico op armoede (gemeten
volgens de Europese armoedegrens).
Vraag 3
Wat is de oorzaak van dit aanzienlijke aantal? Hoe komt het dat de doelstellingen van het kabinet, om de armoede onder minderjarige
kinderen fors te verminderen en 50% van kinderen uit arme gezinnen maatschappelijk meer mee te laten doen, niet gehaald zijn?
Antwoord 3
Het SCP is gevraagd onderzoek te doen naar het aantal kinderen wat niet maatschappelijk participeert om financiële redenen.
Het niet participeren is vaak een uiting van armoede. Om die reden is ingezet op participatie: kinderen kansen geven op ontwikkeling
door financiële belemmeringen weg te halen. Het grootste verschil met het CBS-onderzoek is dat het CBS zich alleen concentreert
op een inkomensgrens (120% van het sociaal minimum) en rekent die groep vervolgens tot de grootste risicogroep op armoede.
Het SCP bekijkt juist de kant van kinderen die niet kunnen participeren (en niet zoals het CBS doet alle kinderen die in gezinnen
leven tot 120% van het sociaal minimum).
Het is te vroeg om vast te stellen dat de doelstelling niet gehaald is. De resultaten worden gemonitord door middel van een
nulmeting «Kunnen alle kinderen meedoen?»2 over 2008 en een vervolgmeting over 2010. Het aantal kinderen dat vanwege financiële redenen niet meedoet, is in 2008 66 000.
De resultaten van de vervolgmeting komen beschikbaar in het eerste kwartaal 2011. Uw Kamer zal daar volgens afspraak over
worden geïnformeerd.
Vraag 4, 5, 6, 7
Acht u de doelstelling uit de begroting voor 2010, om het aantal kinderen dat vanwege armoede maatschappelijk onvoldoende
meedoet met 50% te verminderen, nog steeds wenselijk en haalbaar, ondanks de geplande forse bezuinigingen van 3,2 miljard
euro?
Hoe verhoudt het grote aantal kinderen dat in armoede opgroeit zich met het voorstel in het regeer- en gedoogakkoord om 230
miljoen euro te bezuinigen op het kindgebonden budget?
Hoe verhoudt het grote aantal kinderen dat in armoede opgroeit zich met het voorstel in het regeer- en gedoogakkoord om de
bijstand structureel met 1 miljard euro te verlagen?
Hoe verhoudt het grote aantal kinderen dat in armoede opgroeit zich met het gevolg van de plannen in het regeer- en gedoogakkoord
dat de koopkracht voor uitkeringsgerechtigden daalt?
Antwoord 4, 5, 6, 7
Het kabinet kiest voor maatregelen die eraan bijdragen dat iedereen zoveel mogelijk naar vermogen participeert in de samenleving.
In dat kader moet ook de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon worden gezien. Voor
werkenden wordt vanaf 2009 al de dubbele heffingskorting geleidelijk afgebouwd. Als in de uitkeringen de dubbele heffingskorting
zou worden gehandhaafd, zouden vanaf 2018 alleenverdieners die het minimumloon verdienen een lager inkomen hebben dan (echt)paren
in de bijstand. Met de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon wordt voorkomen dat
het steeds minder aantrekkelijk wordt om vanuit de bijstand een baan te aanvaarden. Werken moet immers lonen. Door deze afbouw
over een lange horizon (20 jaar) uit te smeren, worden inkomenseffecten gedempt.
De economische crisis en oplopende begrotingstekorten maken een sanering van de overheidsfinanciën noodzakelijk. Bij de bezuiniging
op het kindgebonden budget gaat het feitelijk om het (deels) terugdraaien van intensiveringen uit de periode 2008–2010. Gezinnen
met kinderen ontvangen in 2012 ten opzichte van 2008 – ondanks de noodzakelijke bezuinigingen – nog steeds meer financiële
ondersteuning.
Het meedoen in de maatschappij blijft onverminderd van belang. Zelfredzaamheid en sociale inclusie vormen daarbij belangrijke
uitgangspunten.
Uit het SCP-rapport «Sociale uitsluiting bij kinderen: omvang en achtergronden»3 blijkt de rol en positie van de ouders een heel belangrijke factor bij het niet kunnen meedoen van kinderen in de maatschappij.
De inzet van dit kabinet op werk levert de beste bijdrage aan de bestrijding van armoede. Niet alleen maatschappelijke participatie
van kinderen is belangrijk om bij deze groep sociale uitsluiting tegen te gaan, maar bovenal de participatie van de ouders.
Het vergroten van arbeidsparticipatie draagt bij aan het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting. Zo willen we kinderen
kansen bieden op een goede toekomst.
XNoot
1 De Telegraaf, «11 procent kinderen groeit op in armoede», 4 oktober 2010.