Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20113450

Vragen van de leden Spekman (PvdA), Dibi (GroenLinks) en Voordewind (ChristenUnie) aan de minister voor Immigratie en Asiel over het lot van de Iraakse familie Karim naar aanleiding van een uitzending van VARA Uitgesproken (ingezonden 13 juli 2011).

Antwoord van minister Leers (Immigratie en Asiel) (ontvangen 30 augustus 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3277.

Vraag 1 t/m 4

Waarom bent u blijkens uw brief van 8 juli jl., over de overwegingen die hebben geleid tot het besluit om de familie Karim gedwongen terug te laten keren naar Irak, niet ingegaan op de betekenis van de huidige situatie voor de familie in Irak, zoals die in de uitzending van VARA Uitgesproken naar voren kwam?1

Heeft u na deze uitzending onderzoek verricht naar de mogelijkheid dat zich na de gedwongen terugkeer van de familie naar Irak, het risico op bloedwraak ter plekke alsnog heeft geopenbaard? Zo ja, wat is daar uitgekomen? Zo nee, waarom niet?

Deelt u de mening dat een televisieuitzending over de familie wellicht niet als objectieve bron is aan te merken, maar dat de uitzending wel degelijk serieuze aanwijzingen bevat, zoals de getoonde mishandeling van één van de dochters in het gezin, dat bloedwraak ten aanzien van leden van de familie wordt uitgeoefend?

Deelt u de mening dat, indien dit soort serieuze aanwijzingen, op welke wijze dan ook, bekend raken bij de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND), onderzocht moet worden wat daar het realiteitsgehalte van is, onder meer om te voorkomen dat de familie verder ernstig leed wordt aangedaan en Nederland als gevolg van de uitzetting een familie met kinderen in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens (EVRM) terugstuurt naar Irak?

Antwoord 1 t/m 4

De asielaanvragen van de familie Karim zijn zorgvuldig beoordeeld, zowel door de IND als door de rechter. Dit heb ik uitgebreid toegelicht in een vertrouwelijke brief van 12 juli jl. aan uw Kamer.

Wat betreft de betekenis van de huidige situatie van deze familie in Irak, ben ik van mening dat een televisie-uitzending niet als objectieve bron kan worden aangemerkt omdat de televisie-uitzending de situatie in Irak door de ogen van deze familie wil laten zien, wat uiteraard een legitieme keuze is. Aan de betrokken familie is hiermee de mogelijkheid geboden om haar verhaal te doen over haar ervaringen in Irak waarbij betrokkenen nogmaals ingaan op elementen van hun asielrelaas, zoals de mogelijke blootstelling aan eergerelateerd geweld. Het gaat dus uitsluitend om de eigen verklaringen van betrokkenen. Ook de toelichting bij de getoonde foto van de dochter berust geheel op de eigen verklaringen van betrokkenen. De televisie-uitzending bevat naar mijn mening geen objectieve aanknopingspunten die aanleiding geven tot een nader onderzoek in het land van herkomst of om deze familie terug te halen naar Nederland opdat de IND hetzelfde asielrelaas van deze familie opnieuw kan beoordelen.

Het instellen van een onderzoek, op basis van de eigen verklaringen van teruggekeerde vreemdelingen zou bovendien betekenen dat elke uitlating van een vreemdeling na terugkeer, uit elke bron, aanleiding zou kunnen zijn tot een hernieuwd onderzoek. Dit zou de integriteit van de Nederlandse asielprocedure ondermijnen omdat de eindbeslissing van de IND of van de rechter dan steeds opnieuw ter discussie zou worden gesteld, tot (ver) na de daadwerkelijke terugkeer in het land van herkomst.

Vraag 5

Deelt u de mening dat Nederland een verantwoordelijkheid en zorgplicht heeft voor asielzoekers met kinderen die lange tijd in Nederland hebben verbleven en kort na een gedwongen uitzetting in grote medische en/of veiligheidsproblemen komen? Kunt u dit toelichten?

Antwoord 5

Nederland beschikt over een zorgvuldige asielprocedure met de mogelijkheid van een rechterlijke toets waarin op basis van het individuele dossier wordt beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor bescherming als vluchteling of omdat hij een risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer.

Hierbij merk ik op dat voor het oordeel van een dreigende schending van artikel 3 EVRM volgens vaste jurisprudentie van het EHRM sprake moet zijn van een voorzienbaar en reëel risico bij terugkeer. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. Dit heeft ook het kader gevormd voor onderhavige asielbeoordeling.

Indien na een zorgvuldige beoordeling van een asielverzoek tot een afwijzing daarvan wordt besloten en de betrokken vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst bestaat er in het algemeen voor Nederland geen bijzondere verantwoordelijkheid meer voor de betreffende persoon. Dit zou onder omstandigheden slechts anders kunnen zijn als er bij terugkeer sprake zou zijn van een problematiek die direct kan worden gerelateerd aan een onjuiste of onzorgvuldige beoordeling van het eerdere asielverzoek. Hiertoe verwijs ik voorts naar mijn beantwoording van vraag 6.

Vraag 6

Welke omstandigheden die zich na terugkeer van een uitgezette asielfamilie voordoen in het land van herkomst zouden voor u wel aanleiding kunnen zijn tot het doen van nieuw onderzoek?

Antwoord 6

Zoals eerder aan uw Kamer is aangegeven, vormt het monitoren van teruggekeerde asielzoekers geen onderdeel van het Nederlandse vreemdelingenbeleid. De Nederlandse asielprocedure, inclusief de mogelijkheid van een rechterlijke toets, biedt naar mijn oordeel ruim voldoende waarborgen om uiteindelijk, bij een onherroepelijk geworden afwijzende beslissing op het verzoek om toelating, een verantwoorde terugkeer te kunnen realiseren.

Dit neemt niet weg dat in een individuele zaak aanleiding kan bestaan tot het doen van een nader onderzoek indien daarvoor concrete en objectieve aanwijzingen aanwezig zijn die verband houden met het relaas dat een teruggekeerde asielzoeker naar voren heeft gebracht tijdens de eerdere asielprocedure in Nederland.

Vraag 7

Bent u bereid alsnog een individueel ambtsbericht uit te voeren naar het zich mogelijk geopenbaarde risico van bloedwraak ten aanzien van één van de dochters van de familie Karim? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid de familie in afwachting van de uitkomsten van dat onderzoek terug te laten keren naar Nederland?

Antwoord 7

In het licht van mijn antwoord op de vragen 1, 2, 3 en 4 zie ik hiertoe geen aanleiding.

Vraag 8

Kan de familie in staat worden gesteld een nieuwe asielaanvraag te doen in Nederland, aan welke zij ten grondslag kunnen leggen dat de dochter te vrezen heeft voor bloedwraak? Bent u bereid de familie daarbij te faciliteren, en zo ja, op welke wijze?

Antwoord 8

Zoals ik bovenstaand heb toegelicht, zie ik geen aanleiding om een nader onderzoek te laten doen in het land van herkomst. Dit betekent ook dat ik evenmin de intentie heb om deze familie naar Nederland te halen om ze in staat te stellen om opnieuw in Nederland asiel aan te vragen.

Vraag 9

Kunt u gedetailleerd uitleggen waarom de IND na de asielaanvraag in 2003 zes jaar lang heeft gedaan over het nemen van een besluit over een verblijfsvergunning asiel ten aanzien van de familie Karim? In hoeverre is deze forse, onacceptabele overschrijding van de beslistermijn door de IND meegewogen bij de beslissing over verblijf, in relatie tot de vergaande worteling van de minderjarige kinderen uit het gezin in Nederland?

Antwoord 9

Uitgangspunt is voor mij dat informatie over individuele zaken vertrouwelijk wordt behandeld. Dat betekent dat ik mij in beginsel ook niet wens uit te laten over individuele zaken. Alleen in de uitzonderlijke situatie dat betrokkenen zelf de publiciteit hebben gezocht, dan wel hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het feit dat aan hun situatie in de media aandacht wordt besteed, kan hiervan worden afgeweken teneinde te voorkomen dat in de samenleving een eenzijdig en daardoor onjuist beeld ontstaat over de specifieke situatie.

Het algemeen belang dat onze samenleving zich een juist beeld kan vormen over de wijze waarop wij in Nederland omgaan met asielaanvragen rechtvaardigt dit. In de zaak Karim dreigt het beeld te ontstaan dat de betrokken familie door verwijtbaar onjuist en onzorgvuldig handelen van de IND in een onmogelijke positie terecht is gekomen. Aangezien dit beeld geen recht doet aan de werkelijkheid, zie ik thans aanleiding dit beeld te nuanceren.

Raadpleging van het departementaal dossier heeft geleerd dat meerdere factoren een rol hebben gespeeld bij de overschrijding van de beslistermijn in de eerste asielprocedure, die met name zijn terug te voeren op het onderzoek naar de specifieke achtergrond van de vader van het gezin, zoals ook beschreven in mijn vertrouwelijke brief aan uw Kamer hierover d.d. 8 juli 2011.

Allereerst gold er van 27 juni 2003 tot en met 27 juni 2004 een besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Irak waar betrokkenen ook onder vielen. Hierdoor kon in het geval van betrokkenen pas 10 maanden na hun asielaanvraag met de beoordeling aangevangen worden. De belangrijkste factor is echter het uitgebreide onderzoek dat heeft plaatsgevonden naar de vader. In dat kader heeft uitgebreid bronnenonderzoek plaatsgevonden. Ook moest de heer Karim aanvullend worden gehoord. Dit resulteerde in een afwijzing van de asielaanvraag. Deze beslissing heeft ook bij de rechter stand gehouden.

Omdat aan de asielaanvragen van de gezinsleden geen zelfstandige asielgronden ten grondslag lagen, werd met het beslissen gewacht tot het einde van het onderzoek van de vader. Immers, de desbetreffende tegenwerping voor hem is ook een contra-indicatie voor het verkrijgen van rechtmatig verblijf voor de overige gezinsleden indien zij niet op eigen merites in aanmerking komen voor een asielvergunning. Indien het onderzoek niet tot deze afwijzing had geleid en hij voor een asielvergunning in aanmerking was gekomen, hadden de gezinsleden mogelijk een afgeleide status gekregen.

Ten slotte moest er medisch advies worden ingewonnen bij Bureau Medische Advisering. Met het medisch onderzoek waren ook enkele maanden gemoeid.


X Noot
1

Deze brief is door u op 12 juli 2011 naar de Tweede Kamer gestuurd, en daar vertrouwelijk ter inzage gelegd. De uitzending van VARA Uitgesproken was op 3 juli jl.