Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20113042

Vragen van de leden Bruins Slot, Omtzigt en Uitslag (allen CDA) aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over een neuroloog in Twente (ingezonden 31 mei 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 4 juli 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2882

Vraag 1

Herinnert u zich het antwoord op Kamervragen over dertig aangiften van slachtoffers/gedupeerden bij de regiopolitie Twente tegen het handelen van een neuroloog van het streekziekenhuis Twente en de handelswijze van het OM te Almelo uit maart 2009, waarin de toenmalige minister aangaf in de zaak van een neuroloog in Twente «dat de hoofofficier van Justitie heeft bericht erop toe te zien dat deze kwestie vanaf dat moment met de grootst mogelijke voortvarendheid wordt behandeld»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met het persbericht van 7 oktober 2009 van het arrondissementsparket waarin gesteld wordt dat de neuroloog van het MST ziekenhuis in Enschede zal worden vervolgd voor mishandeling en valsheid in geschrifte en dat het Openbaar Ministerie bovendien een gerechtelijk vooronderzoek (GVO) zal gaan vorderen tegen het MST ziekenhuis als rechtspersoon»?2

Antwoord 2

Ja.

Vraag 3

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de vervolging en het gerechtelijk vooronderzoek? Is er hier met de grootst mogelijke voortvarendheid gehandeld?

Antwoord 3

Er is in de afgelopen periode veel tijd besteed aan het horen van aangevers en getuigen en het verzamelen van bewijsmateriaal. Hierbij is het Openbaar Ministerie afhankelijk van de kennis en beschikbaarheid van externe deskundigen die binnen hun medisch vakgebied als expert worden aangemerkt. Voor hun rapporten is het nodig om nauwgezet medisch gegevens te beoordelen. Dit kost tijd. Het onderzoek zal naar verwachting nog geruime tijd in beslag nemen nu het onderzoeksteam, na ontvangst van de deskundigen-rapporten, opnieuw een aantal betrokkenen zal moeten horen.

Het strafrechtelijk onderzoek tegen de neuroloog betreft een unieke strafzaak waarin veel mensen aangifte hebben gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft mij bericht dat, de bijzondere omstandigheden van dit onderzoek alsmede de te betrachten zorgvuldigheid in aanmerking nemend, met de grootst mogelijke voortvarendheid wordt gehandeld.

Vraag 4

Betekent het feit dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg afviel van een tuchtzaak dat de neuroloog, aangezien hij in 2003 voor het laatst werkzaamheden verricht heeft als arts, zich vanaf 2013 in het BIG-register kan inschrijven en dan wederom in staat zou zijn om zonder enige belemmering het beroep van neuroloog uit te oefenen in ons land en zelfs niet langer het risico lopen op tuchtrechtelijke vervolging vanwege verjaring?3

Antwoord 4

De specialisatie van betrokkene in de neurologie verliep op 14 januari 2009. Vervolgens heeft hij rond 14 oktober 2009 het CIBG verzocht om zijn inschrijving als arts te verwijderen uit het BIG-register. Het CIBG heeft dit verzoek gehonoreerd. In een schrijven aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) van 24 oktober 2010 heeft betrokkene verder verklaard zich definitief niet opnieuw als arts in het BIG-register te zullen inschrijven. Gelet op het definitieve karakter van deze verklaring en de tussen de IGZ en betrokkene gevoerde gesprekken is de IGZ van oordeel dat deze verklaring toereikend is voor bescherming van de patiëntenzorg. De IGZ houdt hier toezicht op en heeft zekerheidshalve het CIBG verzocht om bij een onverhoopt verzoek tot herinschrijving van betrokkene als arts, de inspectie hierover onverwijld op de hoogte te brengen.

Om zich opnieuw voor het specialisme neurologie te laten registreren zal betrokkene zich allereerst weer als arts moeten laten registreren en vervolgens opnieuw in opleiding moeten gaan tot neuroloog. Gelet op de leeftijd van de betrokkene (65), zijn omstreden reputatie, het toezicht door de IGZ op de betrokkene en het oordeel van de inspectie ten aanzien van de bescherming van de patiëntveiligheid, is een dergelijk scenario onwaarschijnlijk. Gelet op het bovenstaande en het thans lopende strafrechtelijk onderzoek naar de betrokkene, speelt het tuchtrecht en daarmee verjaring van tuchtrechtelijke vervolging geen praktische rol.

Vraag 5

Klopt het dat ook als de neuroloog niet langer ingeschreven staat in het BIG-register, hij voor de periode dat hij ingeschreven stond hij wel degelijk onderworpen kan worden aan het tuchtrecht en maatregelen opgelegd kunnen worden (zie, artikel 47, vierde lid en artikel 48, derde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg)?

Antwoord 5

De zwaarste sanctie die het tuchtrecht kent is uitschrijving uit het BIG-register (artikel 48, lid 1 onder f, Wet BIG). Deze maatregel kan vanzelfsprekend niet meer geëffectueerd worden wanneer een beroepsbeoefenaar inmiddels al is uitgeschreven uit het BIG-register. In die situatie bestaat nog wel de mogelijkheid om iemand tuchtrechtelijk het recht op wederinschrijving in het BIG-register te ontzeggen vanwege misdragingen die dateren uit de tijd dat hij ingeschreven stond (artikel 48 lid 3, Wet BIG). In het onderhavige geval lijkt dit echter weinig zinvol te zijn gezien de verklaring die betrokkene heeft opgesteld. Zie ook het antwoord op vraag 4.

Vraag 6

Klopt het dat ook al zou er een Europese zwarte lijst bestaan, deze neuroloog daar niet op zou staan omdat hij noch strafrechtelijk, noch tuchtrechtelijk veroordeeld is? Acht u dat wenselijk?

Antwoord 6

Een «Europese zwarte lijst» kan alleen zorgverleners betreffen die op grond van een tucht- of stafrechtelijke maatregel onbevoegd zijn of een bevoegdheidsbeperking hebben. Het tegengaan van migratie van disfunctionerende artsen die niet op grond van een tucht- of strafrechtelijke maatregel zijn veroordeeld, staat los van een zwarte lijst. Hiervoor is een goede communicatie tussen de bevoegde autoriteiten van de Lidstaten vereist zodat deze alleen zorgverleners registreren die bevoegd zijn en aan de kwaliteitseisen voldoen. Voor de migratie van zorgverleners bestaat op dit moment een goed functionerend digitaal communicatienetwerk voor bevoegde autoriteiten, het zogenaamde IMI-systeem. In Nederland is het CIBG voor het BIG-register de bevoegde autoriteit, die toegang heeft tot het IMI-systeem. Er wordt op dit moment overlegd met de Europese Commissie om te bezien of – naast de registratiehouders – ook de IGZ, als toezichthouder, toegang tot het IMI-netwerk kan krijgen.

Vraag 7

Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg toegezegd geen klacht in te dienen bij het Medisch Tuchtcollege in ruil voor een permanente uitschrijving uit het BIG-register? Zo ja, is zo’n toezegging vastgelegd per brief? (Inspectie ziet af van tuchtzaak tegen J.S., www.tctubantia.nl, 24 mei 2011).

Antwoord 7

Naar aanleiding van een gesprek tussen de IGZ en betrokkene heeft deze de IGZ een door hemzelf opgestelde verklaring gezonden (zie het antwoord op vraag 4). Daarin verklaart hij dat zijn uitschrijving uit het BIG-register een definitief karakter heeft en dat er van zijn kant in de toekomst dan ook geen verzoek zal worden gedaan om zich opnieuw in te laten inschrijven in het BIG register als arts. Deze verklaring strookt met hetgeen er eerder tussen de IGZ en hem was besproken. Nadat tijdens het gesprek dat aan de verklaring voorafging het voor de IGZ duidelijk was geworden dat betrokkene zich definitief zou uitschrijven als arts, heeft de IGZ daarop laten weten dat het dan niet opportuun is om nog een tuchtzaak te starten (zie ook het antwoord op vraag 5). Er is echter geen sprake van een (al dan niet per brief vastgelegde) toezegging door de IGZ.


X Noot
1

Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 1786.

X Noot
2

(http://www.om.nl/organisatie/item_144364/het_openbaar_0/nieuwsberichten/@152013/stand_van_zaken/)

X Noot
3

Zie Kamervragen over omstreden Neuroloog J.S., Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1791.