Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20112817

Vragen van het lid Voordewind (ChristenUnie) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat er door de gemeente Amsterdam wordt gedreigd met het bevriezen van geld voor huisvesting van scholen (ingezonden 19 april 2011).

Antwoord van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 15 juni 2011) zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2736.

Vraag 1

Hebt u kennisgenomen van het bericht «Wethouder dreigt met bevriezing geld huisvesting scholen»?1

Antwoord 1

Ja, van dat bericht heb ik kennis genomen.

Vraag 2

Wat vindt u van het gebruiken van het huisvestingsgeld voor scholen als middel om gewenste spreiding en omvang van het onderwijsaanbod te beïnvloeden? Wat vindt u van de eisen van het gemeentebestuur op het gebied van onderwijsaanbod en profilering per school?

Antwoord 2

Het aanwenden door een gemeente van huisvestingsgeld voor scholen als machtsmiddel tegen gerechtvaardigde wensen van een schoolbestuur acht ik niet wenselijk en wettelijk niet houdbaar (deelvragen 1 en 2)6. Taak en budget voor de huisvesting van (speciaal) basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn echter sinds 1997 bij de gemeente belegd. In rechte ben ik dan ook geen partij in kwesties rond de onderwijshuisvesting. Tegen een besluit van de gemeente op een aanvraag voor onderwijshuisvesting staat voor het aanvragende schoolbestuur bezwaar en beroep open. In het geval van Amsterdam heeft de gemeente op grond van artikel 76k van de Wet op het voortgezet onderwijs huisvestingsaanvragen bevroren. Eén schoolbestuur heeft bezwaar aangetekend. Na overleg tussen de gemeente Amsterdam en het betreffende schoolbestuur is het bezwaar ingetrokken. Overigens is ook met betrekking tot de uitwerking van het regionaal plan onderwijsvoorzieningen (RPO) het overleg tussen alle partijen nog in volle gang.

Vraag 3

Deelt u de mening dat bestuursbevoegdheden op het gebied van onderwijshuisvesting niet voor een ander doel mogen worden aangewend dan waarvoor deze gebruikt mogen worden? Deelt u de mening dat problemen rondom loting volgens artikel 76k van de Wet op het voortgezet onderwijs geen weigeringsgrond mogen vormen voor huisvestingsgeld?

Antwoord 3

Voor de eerste deelvraag: zie antwoord op vraag 2. De gemeente Amsterdam baseert de bevriezing van huisvestingsaanvragen die niet voldoen aan de uitgangspunten van het RPO op artikel 76k, eerste lid sub c van de Wet op het voortgezet onderwijs, namelijk dat de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen (...). Artikel 76k bevat geen expliciete weigeringsgrond voor huisvestingsgeld bij problemen rondom loting.

Vraag 4

Hoe kunnen de door de wethouder geschetste problemen met kwaliteit en onderwijsaanbod worden opgelost? Wanneer vindt het aangekondigde rondetafelgesprek plaats met de betrokken partijen? Kunt u de Kamer over de uitkomsten informeren?

Antwoord 4

De gemeente Amsterdam blijft in gesprek met de verschillende schoolbesturen over de oplossing van de geschetste problemen. In een aantal gevallen heeft dat al tot de nodige toenadering geleid. Het rondetafelgesprek met een belangrijke vertegenwoordiging van de betrokken partijen waaronder ook wethouder Asscher, heeft op 28 april 2011 op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is op constructieve wijze overlegd en hebben de besturen de intentie uitgesproken op korte termijn zoveel mogelijk knopen door te willen hakken. Ik acht dit verder echter een lokale aangelegenheid.

Vraag 5

Hebben u vaker berichten bereikt van gemeenten die buiten hun bevoegdheid treden door scholen te «chanteren» door minder in huisvesting te investeren? Zo ja, welke? Wat doet u eraan om te voorkomen dat gemeenten scholen «chanteren»?

Antwoord 5

Gemeente Amsterdam refereert bij de bevriezing van huisvestingsaanvragen aan eerder gemaakte afspraken die door de schoolbesturen niet zijn gerealiseerd. In een soortgelijke context is mij één ander geval in een andere gemeente bekend waarbij het gemeentebestuur de medewerking aan nieuwe huisvesting van een school heeft opgeschort. De term chantage acht ik in dit verband niet op zijn plaats. Voor het antwoord op deelvraag 3: zie mijn antwoord op vraag 2.

Vraag 6

Klopt het dat van de vijf grote steden, Amsterdam in de periode 2005–2009 afgezet tegen normatieve inkomsten via het gemeentefonds, het minste heeft uitgegeven aan onderwijshuisvesting? Klopt het dat scholen in Amsterdam in die periode meer dan 100 miljoen euro zijn misgelopen?2 Zo ja, in hoeverre is de onderwijshuisvesting op orde in de gemeente?

Antwoord 6

Voor die vaststelling is in zoverre een grondslag dat de vergelijking van gemeentefondsgegevens met CBS-gegevens dat beeld oplevert. Dat is echter geen toereikende basis voor de vaststelling. De conclusie mag in ieder geval niet worden getrokken dat Amsterdamse scholen 100 miljoen euro zijn misgelopen.

In dit verband is van belang dat gemeentelijke middelen voor onderwijshuisvesting onderdeel uitmaken van het gemeentefonds. Het gaat om de algemene middelen van gemeenten. Het «gemeentefondsniveau» voor onderwijshuisvesting heeft geen normerende bedoeling, maar is een benadering ten behoeve van een kostengerelateerde verdeling. De term «mislopen» acht ik dan ook niet juist. De gegevens over de gemeentelijke uitgaven waarmee de op basis van de verdeelmaatstaven van het gemeentefonds toegerekende inkomsten worden vergeleken, komen bovendien bij het CBS beschikbaar via de regeling informatie voor derden. Het is bekend dat gemeenten hun uitgaven en inkomsten aan alle taken, en ook onderwijshuisvesting, niet op dezelfde manier boeken. Ook kan dat er toe leiden dat het beeld op basis van de CBS-gegevens voor een gemeente aanzienlijk afwijkt van het feitelijke uitgavenniveau. Naar aanleiding van een dergelijke vergelijking op landelijk niveau (een verschil van € 300 mln.) loopt er op dit moment een onderzoek naar het gemeentefonds op basis waarvan we op afzienbare termijn over betere gegevens beschikken.

In het licht van de eerder geschetste gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting zult u begrijpen dat ik er niet van op de hoogte ben of de onderwijshuisvesting in de gemeente Amsterdam op orde is. Er bereiken mij overigens geen signalen dat dit niet het geval zou zijn.

Vraag 7

Hebt u kennisgenomen van het bericht van de VO-raad dat gemeenten in 2010 € 380 miljoen minder begroot hebben voor huisvesting van scholen dan ze normatief ontvangen via het gemeentefonds?3 Wat vindt u van dit tekort in investeringen in huisvesting?

Antwoord 7

Ja, van dat bericht heb ik kennisgenomen. In zijn algemeenheid vind ik het een ongewenste ontwikkeling indien investeringen door gemeenten in de kwaliteit van schoolgebouwen zouden afnemen. Binnenkort wordt er een onderzoek, in opdracht van mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, afgerond naar het verschil tussen wat gemeenten overeenkomstig de normatieve verdeelmaatstaven in het cluster educatie van het gemeentefonds ontvangen en de feitelijke uitgaven. De uitkomst van dat onderzoek wacht ik af.

Vraag 8

Kent u de steekproef van de PO-Raad van maart 2011, waaruit blijkt dat twee derde van de schoolbesturen te maken heeft met een besluit tot bezuinigingen van de gemeenten of het voornemen daartoe?4 Wat vindt u van deze uitkomst?

Antwoord 8

Zie het antwoord op vraag 9.

Vraag 9

Leidt dit achterstallig onderhoud niet tot problemen voor de gezondheid en leerprestaties van leerlingen en personeel, bijvoorbeeld door verslechterde luchtkwaliteit of permanent gebruik van noodgebouwen?

Antwoord 9

De PO-raad heeft onder ruim 60 schoolbesturen (van de in totaal 1203) een enquête gehouden. Van de 33 schoolbesturen die hebben gereageerd geeft 2/3 aan dat men te maken kan krijgen met of een voornemen of een besluit tot bezuinigingen van de gemeente.

Mochten deze ontwikkelingen er toe leiden dat de kwaliteit van de onderwijshuisvesting in het primair en voortgezet onderwijs daalt, dan is dat een ongewenste ontwikkeling. Overigens ontslaat een dergelijk voornemen de gemeente niet van de zorgplicht die de gemeente voor de adequate huisvesting van scholen heeft.

In de uitkomst van de enquête is sprake van (incidenteel) uitstel van onderhoud. Ik ga er van uit dat de gemeente haar verantwoordelijkheid neemt en dat een besluit tot uitstel van onderhoud nooit leidt of zal leiden tot gevaarlijke situaties voor leerkrachten of leerlingen.

Vraag 10

Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten te weinig investeren in schoolgebouwen? Deelt u de mening dat er gekeken moet worden naar het doordecentraliseren van huisvestingsgeld naar scholen, zodat problemen van te lage investeringen en problemen met oneigenlijk stopzetten van investeringen in huisvesting kunnen worden tegengegaan?

Antwoord 10

Gelet op mijn antwoord op vraag 2 is het juist aan de gemeente om lokaal afwegingen te maken over de inzet van de beschikbare middelen. Als mocht blijken dat de kwaliteit van de onderwijshuisvesting structureel te wensen overlaat, dan ga ik daar uiteraard het gesprek over aan met de betrokken partijen.

Het Rijk is een verkenning gestart naar de wenselijkheid om de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud voor scholen in het primair onderwijs over te hevelen van gemeenten naar schoolbesturen. In het voortgezet onderwijs is dat al het geval.

Een eventuele overdracht van alle huisvestingsmiddelen van gemeenten naar schoolbesturen betekent een stap die grote zorgvuldigheid vereist. Het neerleggen van de verantwoordelijkheid voor de huisvesting bij schoolbesturen vergt bijvoorbeeld een professioneel financieel beleid en kan in het PO en VO schaalvergroting tot gevolg hebben. Gelet op mijn beleidsprioriteiten ter verhoging van de onderwijskwaliteit in primair en voortgezet onderwijs wil ik deze sectoren in de lopende kabinetsperiode niet verder belasten met een dergelijke stelselwijziging.

Vraag 11

Klopt het dat in 2002 ijkbedragen in het gemeentefonds naar aanleiding van achterblijvende feitelijke uitgaven van gemeenten met € 165 miljoen naar beneden zijn bijgesteld?5 Zo ja, wat gaat u ondernemen om te voorkomen dat dit in het licht van de lagere uitgaven van gemeenten weer gaat gebeuren?

Antwoord 11

De verlaging heeft inderdaad plaatsgevonden, vanaf 2006, op basis van onderzoeksgegevens 2002. De verlaging betrof het cluster Educatie, dat is dus breder dan de onderwijshuisvesting. Tegelijkertijd is er in het gemeentefonds een ingroeiregeling geïntroduceerd voor verborgen kapitaallasten inzake VO-scholen. Deze verborgen kapitaallasten waren het gevolg van de overdracht van de schoolgebouwen van het Rijk aan gemeenten die om niet (zonder kapitaallasten) heeft plaatsgevonden. De verwachting was destijds dat gemeenten als gevolg van nieuw- of verbouw steeds meer kapitaallasten in hun toekomstige begroting gaan opnemen. Voor deze kapitaallasten is een ingroeiregeling ontwikkeld. In totaal bedraagt deze ingroeiregeling € 170 miljoen over een periode van 20 jaar. Hiervan is op dit moment circa € 130 miljoen aan het cluster Educatie toegevoegd. Met de beide aanpassingen binnen het cluster Educatie sloot de verdeling van het gemeentefonds aan op het feitelijke uitgaven niveau van gemeenten en naar verwachting ook op het niveau in toekomstige jaren. Daarnaast is het ijkpunt destijds nog verhoogd met € 58,6 miljoen voor onderwijskundige vernieuwingen.

Tweede deelvraag: Zie mijn antwoord op vraag 7 en vraag 10.


X Noot
1

De Volkskrant, 7 april 2011.

X Noot
6

Zie ook antwoord op vraag 3 en de verwijzing naar artikel 76k van de Wet op het voortgezet onderwijs.

X Noot
2

Het Onderwijsblad, nr. 2, 30 januari 2010.

X Noot
3

http://www.vo-raad.nl/actueel/persberichten/investeringen-van-gemeenten-in-schoolgebouwen-bereiken-nieuw-dieptepunt, 23 september 2010.

X Noot
4

http://www.poraad.nl/index.php?p=19641&nieuws_id=909127, 13-3-2011.

X Noot
5

Uitnemen, onderbrengen en actualiseren nieuwe ijkpunten Bijstand en Zorg.

(http://www.minbzk.nl/@53287/rapport_uitnemen), pagina 19.