Vragen van de leden Brinkman (PVV) en Hennis-Plasschaert (VVD) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de liquidatie van Stanley H. (ingezonden 8 maart 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 8 juni 2011).

Vraag 1

Klopt het dat er op het moment van de liquidatie twee rechercheurs van de Nationale Recherche in een overdekte aanhangwagen zaten met richtmicrofoons om het gesprek af te luisteren?1

Antwoord 1

Het KLPD wilde in het kader van een onderzoek een ontmoeting van Stanley H. met een andere persoon afluisteren. Dat gebeurde door medewerkers van de dienst Specialistische Recherchetoepassingen.Er waren drie medewerkers in de aanhangwagen, te weten een executieve medewerker en twee buitengewoon opsporingsambtenaren.

Vraag 2

Klopt het dat er tevens een observatieteam van ruime afstand toekeek en dat er een politiehelikopter in de lucht hing?

Antwoord 2

In het kader van het hiervoor genoemde onderzoek was op wat grotere afstand een observatieteam aanwezig. Er was daarnaast een politiehelikopter aanwezig, die eveneens vanwege de heimelijke aard van de operatie op grote afstand in de lucht hing.

Vraag 3

Klopt het bericht dat de betreffende rechercheurs geen vuurwapen bij zich droegen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de regel dat elke rechercheur met een executieve status een vuurwapen moet dragen bij uitoefening van dienst op straat?

Antwoord 3

Zoals bij vraag 1 toegelicht ging het voor wat betreft de aanhangwagen om drie KLPD medewerkers: een executieve medewerker en twee buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s). De executieve medewerker was voorzien van de voorgeschreven geweldsmiddelen, waaronder een vuurwapen. De BOA’s hebben geen vuurwapenbevoegdheid en hadden derhalve geen vuurwapen voorhanden.

Het is beleid dat in beginsel de volledige bewapening tijdens de uitoefening van de dienst gedragen wordt. Hierop zijn echter uitzonderingen mogelijk. Het gaat dan om specifieke groepen niet-geüniformeerde politieambtenaren waarbij het essentieel is om onherkenbaar te zijn als politieambtenaar.

Vraag 4

Indien het hier mogelijk rechercheurs betreft met de status van Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA), bent u dan van mening dat zij bij inzet tijdens een risicovolle opdracht over de bevoegdheid tot het dragen van een vuurwapen zouden moeten beschikken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Er bestaan voor Buitengewoon Opsporingsambtenaren (BOA’s) mogelijkheden tot het dragen van geweldsmiddelen waaronder vuurwapens. Dit is afhankelijk van de aard van de werkzaamheden waarvoor BOA’s worden ingezet. De betreffende observatie- en afluisteroperatie werd vooraf niet als risicovol aangemerkt.

Vraag 5

Bent u van mening dat rechercheurs met een BOA-status überhaupt ingezet moeten kunnen worden tijdens opdrachten die zeer risicovol zijn? Zo ja, waarom?

Antwoord 5

Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) zijn een wezenlijke aanvulling op de reguliere executieve politiemedewerkers. Het betreft over het algemeen mensen die aangetrokken worden voor specialistisch werk. BOA’s worden door middel van aanvullende training en opleiding op hun taken voorbereid, waaronder op mogelijk risicovolle opdrachten.


X Noot
1

De Telegraaf, 3 maart 2011 en Volkskrant 4 maart 2011.

Naar boven