Vragen van het lid Jadnanansing (PvdA) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de «opbrengst» van een bursalenstelsel (ingezonden 8 april 2011).

Antwoord van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 24 mei 2011).

Vraag 1

Klopt de weergave van uw opmerkingen in het wetgevingsoverleg van 21 maart jl.1 en daaropvolgende berichtgeving dat u van mening bent dat een bursalenstelsel geld bespaart, wat vervolgens ook weer aan universitair onderzoek uitgegeven zal worden?

Antwoord 1

Ja

Vraag 2

Waarop baseert u de aanname dat het mogelijk maken van een beurzenstelsel voor promovendi per saldo financieel voordelig zal uitpakken? Beschikt u over informatie die inzicht geeft in deze bewering? Zo ja, wilt u deze onderbouwing ter beschikking stellen aan de Kamer?

Antwoord 2

Bursalen zijn voor instellingen goedkoper dan promovendi (met werknemerstatus) omdat voor bursalen geen fiscale afdrachten betaald hoeven te worden. Universiteiten geven aan dat zij meer bursalen zullen gaan aanbieden wanneer de mogelijkheden daarvoor worden verruimd. De aanname is dat universiteiten daarmee per jaar circa € 10 miljoen minder kosten hebben en dit inzetten voor bursalen, waarmee circa 350–400 extra posities per jaar beschikbaar komen. Een betere onderbouwing dan dit is er op dit moment niet. Ik zal de ontwikkeling monitoren.

Vraag 3

Kunt u aangeven op welke wijze universitaire onderwijstaken van promovendi zonder werknemersstatus hebben opgevangen zullen worden door universiteiten, zowel personeel als financieel?

Antwoord 3

Mijn inzet is erop gericht universiteiten de mogelijkheid te geven te kiezen tussen bursalen (studentstatus) en promovendi (werknemerstatus). Het is de verantwoordelijkheid van de (autonome) universiteiten om bursalen slechts daar in te zetten waar voldoende onderwijspersoneel beschikbaar is, of er anders voor te zorgen dat voldoende onderwijsgevend personeel is aangesteld.

Vraag 4

Deelt u de mening dat promoveren en een universitaire loopbaan sterk in aantrekkingskracht afneemt wanneer promovendi nauwelijks nog in hun levensonderhoud kunnen voorzien vanuit een lagere promovendusbeurs?

Antwoord 4

Nee, instellingen hebben aangegeven dat het nettobedrag van een bursaal niet veel zal verschillen met dat van een promovendus.

Vraag 5

Bestaat hier niet het risico dat een promovendus gedwongen wordt om andere betaalde werkzaamheden naast het wetenschappelijk onderzoek te gaan doen, wat vertraging in het promoveren met zich mee kan brengen? He verhoudt zich dit met de financiële voordelen die u beschreven heeft?

Antwoord 5

Nee, zie antwoord vraag 4.

Vraag 6

Op welke wijze draagt u er zorg voor dat mogelijke financiële besparingen van universiteiten door een bursalenstelsel niet gebruikt worden om andere tegenvallers binnen de begroting op te vangen, maar gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek?

Antwoord 6

In de Strategische Agenda, die medio juni 2011 naar uw Kamer wordt gestuurd zal ik toelichten op welke wijze instellingen in staat worden gesteld om naast promovendiplaatsen (met aanstelling) ook bursale posities beschikbaar te stellen. Ik zie het als een verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de omvang van het aantal promovendi posities navenant toeneemt met extra promotieposities die een gevolg zijn van nieuw geïntroduceerde bursalen. Ik zal dat ook gaan volgen en wanneer deze ontwikkeling zich niet gaat voordoen, de instellingen hierop aanspreken en zonodig passende maatregelen treffen.

Vraag 7

Op welke termijn mag de Kamer voorstellen en nadere informatie van uw kant verwachten rondom een bursalenstelsel voor universiteiten die hiervoor willen kiezen?

Antwoord 7

Zie mijn antwoord op vraag 6.


X Noot
1

Wetgevingsoverleg over wetsvoorstel Ruim baan voor talent en de kabinetsreactie op het advies van de commissie-Veerman, d.d. 21 maart 2011, stenogram 2011D15038.

Naar boven