Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20112523

Vragen van het lid Beertema (PVV) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «ROC achtervolgt klokkenluider» (ingezonden 7 april 2011).

Antwoord van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 17 mei 2011).

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «ROC achtervolgt klokkenluider»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Wat is uw oordeel, als eindverantwoordelijk bewindspersoon, over de handelwijze in deze zaak van het toenmalige College van Bestuur en de toenmalige Raad van Toezicht?

Antwoord 2

Het College van bestuur heeft destijds opdracht gegeven om deze kwestie door Deloitte te laten onderzoeken. Dat vind ik positief. De toenmalige Raad van Toezicht heeft op dat moment niet hoeven ingrijpen, omdat het College van Bestuur al een onderzoek liet uitvoeren. Ik heb echter niet gewacht op de uitkomsten van dat onderzoek, maar de Auditdienst OCW een zelfstandig onderzoek laten uitvoeren. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek heb ik geoordeeld dat de subsidieverplichtingen voor ESF-gelden niet volledig zijn nageleefd en besloten de subsidie terug te vorderen.

Vraag 3

Wat is uw reactie op het feit dat de betrokken docent stelt dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te weinig enthousiast heeft gereageerd op zijn signalen van fraude, omdat ook daar de opvatting zou heersen dat je niet teveel moest zeuren over moraliteit als het geld betrof dat uit «Europa» kwam, waar we toch al zoveel aan afdragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

De mening van de signaalgever deel ik niet. Ik heb het signaal dat er gefraudeerd zou worden in relatie tot ESF-gelden bij het ROC uiterst serieus opgevat. Ik heb de uitkomsten van het onderzoek van Deloitte, waar het ROC opdracht voor had gegeven, daarom ook niet willen afwachten, maar ik heb een zelfstandig onderzoek door de Auditdienst OCW laten uitvoeren. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek heb ik besloten de ESF-gelden terug te vorderen. Ik heb het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het onderzoek en de verdere afhandeling ervan.

Vraag 4

Heeft naar uw oordeel het gegeven dat het Openbaar Ministerie (OM) in Arnhem toendertijd niet heeft gereageerd op de signalen van de docent, te maken met het gegeven dat de toenmalige hoofdofficier van justitie enkele weken later werd benoemd in de Raad van Toezicht van de ROC? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Het OM heeft destijds wel gereageerd op de signalen. Op 25 juni 2007 heeft de docent een brief geschreven aan het arrondissementsparket in Arnhem met daarin de vraag of het antedateren van akten als strafbaar feit kan worden aangemerkt. Tijdens een telefonisch onderhoud op 27 juni 2007 heeft een medewerker van het parket in Arnhem de docent laten weten dat hij desgewenst aangifte kan doen van een strafbaar feit. Destijds heeft de docent echter geen noodzaak gezien voor het doen van aangifte. Op 20 december 2008 heeft de docent wel aangifte gedaan van valsheid in geschrift. De toenmalige hoofdofficier van justitie van het parket Arnhem heeft vervolgens de aangifte overgedragen aan het Functioneel Parket. Het daarop volgende strafrechtelijk onderzoek heeft ertoe geleid dat het Functioneel Parket met het ROC Rijn IJssel te Arnhem een transactie is overeengekomen in de vorm van een boete van 35 000 euro vanwege valsheid in geschrifte (zie www.om.nl). Verder wordt zoals gezegd de te veel ontvangen subsidies terugbetaald (zie daaromtrent het antwoord op vraag 2 en vraag 3).

Vraag 5

Wat is uw reactie op het feit dat de betrokken hoofdofficier vanaf medio 2007 wist van de ESF-fraude van de school en vervolgens aftrad? Hij trad vervolgens af. Kunt u aangeven of aftreden de enige manier van reageren is die een Raad van Toezicht als instrument heeft bij het toezien op een school? Kunt u aangeven welke reactie naar haar oordeel adequater was geweest? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

De raad van toezicht van een instelling houdt toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is onder meer belast met het toezien op naleving van wettelijke verplichtingen en kan de leden van het college van bestuur benoemen, schorsen en ontslaan.

Hoe de Raad van Toezicht deze wettelijke taken uitvoert behoort tot diens verantwoordelijkheid, daar kan ik niet in treden.

De leden van de raad van toezicht hebben zitting in de raad op persoonlijke titel en oefenen hun functie zonder last of ruggespraak uit. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Het staat leden van de raad echter te allen tijde vrij om af te treden indien zij daartoe aanleiding zien. Een afweging daartoe is aan het betreffende lid. Het aftreden van een lid laat onverlet dat de raad van toezicht zijn taken kan en moet uitvoeren. Voor overig taken en bevoegdheden van de raad van toezicht verwijs ik u naar de branchecode «goed bestuur in de bve sector». Deze is sinds 1 januari 2009 van kracht is.

Vraag 6

Kunt u aangeven waarom het toenmalige College van Bestuur niet om deze ESF-fraude aftrad, maar om een andere reden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 6

Nee, dat kan ik niet. Binnen de relatie van een raad van toezicht en (een lid van) het college van bestuur wordt besloten over het al dan niet aanblijven van het bestuur. Dat vraagt om afwegingen. Deze afweging hoeft mij niet meegedeeld te worden, omdat het de relatie college van bestuur – raad van toezicht betreft. In casu is de afweging van de leden van het college van bestuur en de raad van toezicht mij dan ook niet bekend.

Vraag 7

Wat is uw oordeel over de pesterijen die onder het huidige College van Bestuur en de huidige Raad van Toezicht tegen deze docent doorgaan?

Antwoord 7

Laat ik voorop stellen dat ik welke pesterijen dan ook tegen signaalgevers verwerp. Signaalgevers dienen in alle vrijheid hun signaal naar buiten toe te kunnen brengen, zonder dat daar repercussies tegenover staan, zo ook in deze situatie. Ik kan niet beoordelen of er in dit geval werkelijk sprake is geweest van pesterijen. Als Minister van OCW kan ik echter niet treden in een arbeidsrelatie. Geschillen worden daarom beslecht middels het burgerlijk recht.

Vraag 8

Kunt u, vanuit het perspectief van deze zaak reageren op het feit dat het bestuursmodel van ROC’s met een College van Bestuur en een Raad van Toezicht ligt naar het oordeel van velen aan de basis ligt van een cultuur waarin kleine en grote fraude, intimidatie van personeelsleden en het zoeken naar perverse prikkels gedijen? Kunt u hierop reageren vanuit het perspectief van deze zaak? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8

Ik zie geen verband tussen het bestuursmodel en het feit dat niet in alle opzichten voldaan is aan de subsidievoorwaarden voor ESF-gelden. Daarnaast houdt mijns inziens het bestuursmodel geen enkel verband met welke vermeende intimidatie van personeelsleden dan ook.

Goed bestuur houdt in het zodanig sturen en toezicht houden op een organisatie, dat een efficiënte en effectieve realisatie van doelstellingen alsmede het op een open wijze communiceren en verantwoording daarover afleggen ten behoeve van belanghebbenden, wordt gewaarborgd. Een belangrijk aspect van goed bestuur is derhalve het beschikken over een adequaat intern toezicht op een zelfstandig functionerend bestuur. Een adequate opzet en werking van raden van toezicht bij onderwijsinstellingen kan juist een bijdrage leveren aan het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van bekostigingsregelgeving. Met het voorliggende bestuursmodel wordt juist beoogd te voorkomen dat – ondanks medezeggenschap en ondanks richtlijnen in het bestuursreglement voor de uitoefening van overgedragen taken en bevoegdheden – een bezwaarlijke concentratie van macht optreedt door het ontbreken van voldoende «checks and balances». De scheiding van de rol van interne toezichthouder en die van bestuurder binnen instellingen beoogt juist een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van publieke middelen te leveren.


X Noot
1

de Volkskrant, 2 april 2011.