Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20112285

Vragen van de leden Koopmans en Çörüz (beiden CDA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over wietteelt in woningen (ingezonden 15 maart 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 20 april 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2074

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter inzake het niet sluiten van een woonhuis waar hennepplanten zijn aangetroffen1 en van het artikel «Venlo mag «hasjpand» niet sluiten»?2

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3

Hoe kijkt u aan tegen de vraag of artikel 13b van de Opiumwet gebruikt kan worden voor het aanpakken van illegale wietteelt in woningen?

Deelt u de opvatting dat, als het kunnen gebruiken van artikel 13b van de Opiumwet niet aan de orde is, het noodzakelijk is om met een wetswijziging te komen die het mogelijk maakt om in het geval van (bedrijfsmatige) teelt van verdovende middelen in een woning het pand door de gemeente (tijdelijk) te laten sluiten?

Antwoord 2, 3

Het telen van hennep is een strafbaar feit. Voor de bestrijding van deze vorm van criminaliteit biedt de Opiumwet een ruim strafrechtelijk instrumentarium. Artikel 13b van de Opiumwet is als bestuursrechtelijk instrument in de wet opgenomen om te kunnen optreden tegen ongewenste situaties die met inzet van het strafrecht niet duurzaam konden worden beëindigd. Dit betreft situaties waarbij het strafrechtelijk optreden, dat per definitie is gericht tegen de dader, niet kan verhinderen dat zijn plaats onmiddellijk wordt ingenomen door een derde die de criminele activiteiten voortzet. Dat is ook de reden dat artikel 13b is beperkt tot het verkopen, afleveren en verstrekken van drugs.

Het telen van hennep in woningen kan adequaat worden beëindigd met behulp van artikelen 3 jo 11 van de Opiumwet. Daarbij wordt de hele kweekinstallatie ontmanteld en worden de planten en al het materiaal dat voor het telen is gebruikt in beslag genomen. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de verboden activiteit wordt voortgezet door een derde.

Voor de goede orde wijs ik overigens op een ontwikkeling in de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld LJN: BN8193 en LJN: BO4798) waarin wordt geoordeeld dat artikel 13b van de Opiumwet kan worden toegepast ten aanzien van een woning in geval van hennepteelt, als aannemelijk is dat de in die woning aangetroffen hennepplanten een handelshoeveelheid betreffen. Tenslotte vermeld ik nog dat de burgemeester met toepassing van bestuursdwang kan overgaan tot het sluiten van een woning op grond van artikel 17 van de Woningwet (artikel 97 van de Woningwet oud), als bij het telen van hennep in die woning sprake is van gevaarzetting en een klaarblijkelijk gevaar op herhaling van de overtreding bestaat.

Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet te wijzigen.


X Noot
1

LJN: BP6668, Rechtbank Roermond, Awb 11/212

X Noot
2

Limburgs Dagblad, 11 maart 2011