Vragen van het lid
Beertema
(PVV) aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Hogeschool besteedt geld aan volstrekt
verkeerde zaken» (ingezonden 15 maart 2011).
Antwoord van staatssecretaris
Zijlstra
(Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 19 april 2011).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Hogeschool besteedt geld aan volstrekt verkeerde zaken»?1
Vraag 2
Deelt u de zorg naar aanleiding van het onderzoek van onder anderen de genoemde Tilburgse hoogleraar, waaruit blijkt dat bij
een elftal hogescholen tussen de 21% en 25% van het budget daadwerkelijk besteed wordt aan onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
In 2007 is de rapportage van het in opdracht van de HBO-raad en VSNU uitgevoerde onderzoek «benchmark overhead universiteiten
en hogescholen» aan de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden. De definitie voor overhead uit
dit rapport is gebaseerd op het aantal fte’s in de primaire processen (onderwijs en onderzoek) en het aantal fte’s in overige
functies en deze is in overleg tussen OCW en de ho-instellingen overeengekomen.
Voor het Ministerie van OCW is dit een duidelijke benadering die ook draagvlak heeft binnen het onderwijsveld. Uit de rapportage
kwam naar voren dat in het hoger beroepsonderwijs het percentage aan zuivere overhead 24,5% was. De omvang van de zuivere
overhead bij universiteiten bedroeg 25,3%.
Begin 2011 heeft de HBO-raad het onderzoek opnieuw laten uitvoeren op basis van de gegevens over 2009. De uitkomsten van de
hbo-sector zijn vergeleken met andere publieke sectoren. Het percentage zuivere overhead is nu 25,8%. Ik wacht het rapport
van de HBO-raad met belangstelling af. De VSNU is op dit moment bezig met de voorbereiding van een herhaling van de benchmark.
Er wordt van onderwijsinstellingen verwacht dat zij doelmatig omgaan met de beschikbare middelen voor het primaire proces,
te weten het verzorgen van onderwijs. Ik vind een dergelijk overheadpercentage te hoog.
Met de ho-instellingen ga ik in het kader van de meerjarenafspraken afspraken maken over de wijze waarop een reductie van
overhead gerealiseerd kan worden. De middelen die een reductie oplevert kunnen dan weer ingezet worden voor het primaire
proces.
Vraag 3
Wat is uw oordeel over het bericht dat de overheid vroeger 10% van het jaarlijkse hbo-budget voor huisvesting oormerkte en
dat dit bedrag na de financiële verzelfstandiging is opgelopen tot 16–18%?
Antwoord 3
De instellingen zijn vanaf de decentralisatie van de hbo-huisvesting (Wet Huisvesting hoger beroepsonderwijs, 1 januari 1994)
verantwoordelijk voor beslissingen over de investeringen in huisvesting en de exploitatie daarvan. OCW heeft geen zeggenschap
meer over (de financiering van) het onroerend goed van de instellingen.
De door u genoemde percentages van 16–18% voor de huisvesting in de hbo-sector herken ik niet. De jaarrekeningen van de hbo-instellingen
laten het volgende zien.
Uitgaande van de totale huisvestingslasten afgezet tegen de totale baten van de totale hbo-sector is het percentage huisvestingslasten
vanaf 2005 (12%) gestaag gedaald naar 10% in 2009. Ik merk op, dat – naast de afschrijvingen en het saldo financieringskosten
– onder de huisvestingslasten ook de huren, het onderhoud, de verzekeringen, de schoonmaakkosten en gas/licht/water vallen.
De afschrijving op de inventaris heb ik niet meegenomen in mijn berekening; immers inventariskosten staan los van de investering
in onroerend goed en deze worden altijd gemaakt ongeacht of er sprake is van nieuwe, oude of gehuurde gebouwen.
Vraag 4
Deelt u de visie dat het erbarmelijk is dat hogescholen tegenwoordig honderden miljoenen uitgeven aan onderzoeksactiviteiten,
waarvan de bekostiging wordt onttrokken aan het primaire proces? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Nee, deze visie deel ik niet. Het doen van praktijkgericht onderzoek is een wettelijke taak van hogescholen en behoort daarmee
tot het primaire proces. Het doen van praktijkgericht onderzoek door hogescholen bevordert de kwaliteit van het onderwijs.
Het is van groot belang dat het onderwijs gebaseerd is op «state of the art» kennis uit het onderzoek. Ook de arbeidsmarkt
vraagt meer en meer om hbo-professionals die beschikken over academische vaardigheden. Het integreren van onderzoeksvaardigheden
in het curriculum komt de kwaliteit van het onderwijs en de waarde van de afgestudeerde op de arbeidsmarkt ten goede.
Dat het om honderden miljoenen euro’s gaat, kan ik niet bevestigen. Uit de brancherapportage onderzoek 2009/2010, die is uitgebracht
door de HBO-raad, blijkt dat hogescholen in het jaar 2009 gezamenlijk ongeveer honderd miljoen euro tot hun beschikking hadden
om praktijkgericht onderzoek uit te voeren. Driekwart daarvan bestaat uit publieke middelen die hogescholen ontvangen om hun
wettelijke taak tot «het doen van praktijkgericht onderzoek» ook daadwerkelijk vorm te kunnen geven. Dit betreft de middelen
uit het RAAK-programma en het ontwerp- en ontwikkelbudget binnen de lumpsum. Een kwart van de genoemde honderd miljoen euro
is afkomstig van internationale, private en andere publieke bronnen. De middelen voor praktijkgericht onderzoek worden zoals
uit de brancherapportage naar voren komt niet onttrokken aan het primaire proces en zorgen juist voor extra private investeringen
die ten goede komen aan het primaire proces.
Vraag 5
Wat is uw reactie op de aanbevelingen van de auteurs met betrekking tot het inschakelen van de Algemene Rekenkamer, het inzetten
van een verplichte matrix, transparantie in de jaarverslagen, landelijke examens en de versterking van de positie van de docent?
Antwoord 5
Tijdens het wetgevingsoverleg van 21 maart 2011 over het wetsvoorstel «Ruim baan voor talent» is motie 32 253, nr.15 ingediend waarmee de Tweede Kamer uitspreekt dat de Algemene Rekenkamer onafhankelijk onderzoek dient te doen naar overhead
in het Nederlands hoger onderwijs. Deze motie is dinsdag 28 maart 2011 tot mijn genoegen door de Tweede Kamer aangenomen.
X Noot
1de Volkskrant, 12 maart 2011.