Vragen van het lid
Dikkers
(PvdA) aan de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over berichten dat de vrouwenopvang in Afghanistan in gevaar is (ingezonden
17 februari 2011).
Antwoord van staatssecretaris
Knapen
(Buitenlandse Zaken) (ontvangen 11 maart 2011).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het plan van de Afghaanse regering om het beheer van de blijf-van-mijn-lijfhuizen over te nemen
van non-gouvernementele organisaties?1
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van onder meer Human Rights Watch (HWR) dat vrouwen in Afghanistan door de maatregel een
groter risico zullen lopen? Deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u met de Afghaanse regering in gesprek over
deze maatregel?
Antwoord 2
Het wetsvoorstel in de huidige opzet omvat, ondanks positieve elementen bijvoorbeeld met betrekking tot minimale levensstandaarden,
een aantal stevige zorgpunten, met name daar waar de overheid het management van de opvangcentra over zou nemen van maatschappelijke
organisaties.
De EU heeft in reactie op het wetsvoorstel, samen met Australië, Canada en de VS, op 20 februari jl. de Minister voor Vrouwenzaken
Ghazanfar om uitleg gevraagd. Daarbij is met name aandrongen op het overnemen van de aanbevelingen van de «Criminal Law Reform
Working Group» (CLRWG). Deze werkgroep, waarin onder andere de «Afghan Independent Human Rights Commission» zitting heeft,
adviseert de Afghaanse regering over wetsvoorstellen op strafrechtelijk terrein. De CLRWG acht de huidige bepalingen in het
wetsvoorstel m.b.t. beperkingen in de toelating, gedwongen vertrek, gedwongen afgifte van persoonlijke informatie en gedwongen
medische onderzoeken onacceptabel. De CLRWG doet ondermeer de aanbeveling dat maatschappelijke organisaties in staat moeten
blijven om op onafhankelijk wijze opvanghuizen te beheren.
Daarnaast stelt Nederland dit onderwerp, alsmede de situatie van vrouwen in Afghanistan, in coördinatie met EU-partners, actief
aan de orde in bilaterale gesprekken met relevante Afghaanse autoriteiten.
Op 22 februari jl. heeft de Afghaanse regering, bij monde van de woordvoerder van de president, aangegeven dat de regering
nooit het besluit heeft genomen de opvanghuizen te sluiten, danwel het werk van de betrokken NGO’s stop te zetten. Daarnaast
heeft het Ministerie van Vrouwenzaken toegezegd in constante dialoog te blijven met het maatschappelijk middenveld over mogelijke
verbeterpunten. Dit zijn positieve signalen, die hopelijk leiden tot wijziging van het wetsvoorstel.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u de uitspraken van HRW dat de maatregel past in een trend van «Afghanisering», en dat de regering van president
Hamid Karzai «steeds meer gedomineerd wordt door ultraconservatieven die vijandig staan ten opzichte van zelfs maar het idee
van schuilplaatsen, aangezien deze aan vrouwen een bepaalde mate van autonomie bieden» ten opzichte van echtgenoten en familieleden
die hen slecht behandelen? Deelt u deze mening? Zo ja, heeft dit gevolgen voor de samenwerking met de Afghaanse regering?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Het wetsvoorstel lijkt te passen in een bredere trend van stigmatisering van de blijf-van-mijn-lijfhuizen door conservatieve
krachten in Afghanistan. Er is in sommige media al langere tijd sprake van negatieve berichtgeving over de opvanghuizen. Nederland
zal zich kritisch uitspreken over (concept-)wetgeving of beleid dat een bedreiging vormt voor de rechten van vrouwen of andere kwetsbare groepen in Afghanistan. Nederland
zal daarbij zoveel mogelijk in internationaal verband optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Welke ngo’s beheren op dit moment de elf blijf-van-mijn-lijfhuizen in Afghanistan? Ontvangen deze ngo’s Nederlandse of Europese
ontwikkelingsgelden, en zo ja hoeveel?
Hoeveel vrouwen worden opgevangen in deze huizen? Zijn de vrouwen er veilig? Als u de blijf-van-mijn-lijfhuizen op dit moment
(direct of via ngo’s) steunt, blijft u dit dan ook doen als de huizen door de Afghaanse regering worden overgenomen? Bent
u bereid de ngo’s extra te ondersteunen als de continuïteit van hun werk in gevaar is?
Antwoord 4
De betreffende NGO’s zijn: «Afghan Women Skills Development Center», «Women for Afghan Women», «Humanitarian Assistance for
Women and Children of Afghanistan», «Voice of Women Organization» en «Cooperation Center for Afghanistan».2 Volgens de gegevens van het Afghaanse Ministerie van Vrouwenzaken is de gezamenlijk capaciteit van deze organisaties ongeveer
175 vrouwen en kinderen.
Afghaanse vrouwen die bescherming zoeken in een van de blijf-van-mijn-lijf huizen in Afghanistan weten zich beschermd door
de NGO’s die deze huizen beheren. Zij lopen geen risico teruggestuurd te worden naar hun (schoon)familie. Het bieden van een
veilige omgeving voor deze vrouwen staat voorop in het beleid van de NGO’s.
De EU financiert met EUR 1 miljoen per jaar twee Afghaanse NGO’s, «Medica Mondiale» en «Women for Afghan Women». Deze NGO
beheert 4 blijf-van-mijn-lijf huizen. Ook Finland (EUR 95 000) en Zweden (EUR 100 000) steunen «Women for Afghan Women» financieel.
Duitsland verleent financiële steun (EUR 130 000) aan het «Cooperation Center for Afghanistan». Denemarken financiert via
het «Elimination of Violence Against Women Special Fund» van UNIFEM een aantal NGO’s dat lijf-van-mijn-lijf huizen beheert.
Nederland steunt, zoals bekend, UNIFEM met een bijdrage van EUR 2 miljoen ten behoeve van de bestrijding van geweld tegen
vrouwen in Afghanistan.
Nederland onderhoudt nauw contact met diverse Afghaanse vrouwenorganisaties. Mocht via deze organisaties een beroep op Nederland
gedaan worden voor ondersteuning dan zullen de mogelijkheden hiertoe serieus worden onderzocht.
X Noot
1De Telegraaf, «Vrouwenopvang in Afghanistan in gevaar», 15 februari 2011.
X Noot
2 Op basis van gegevens van het Afghaanse Ministerie van Vrouwenzaken, ontvangen november 2010.