Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20111726

Vragen van de leden Marcouch en Recourt (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over oproepen tot jihad en invoering van de shariah (ingezonden 18 januari 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 9 maart 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1391.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van een op internet gepubliceerd interview met A. I., die zegt te spreken namens Sharia4Belgium?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat in dit interview al dan niet impliciet opgeroepen wordt tot geweld en discriminatie, in het bijzonder in Nederland, tegen vrije meningsuiting en homo’s? Hoe wilt u de Nederlandse burgers en rechtstaat beschermen tegen de dreigementen die hier geuit worden?2

Antwoord 2

Het Openbaar Ministerie heeft door de vragenstellers aangehaalde passages uit het interview beoordeeld op mogelijke strafbaarheid op grond van artikel 137c (groepsbelediging) en 137d Wetboek van Strafrecht (aanzetten tot haat, discriminatie en geweld).

In artikel 137c en 137d Wetboek van Strafrecht (Sr) is strafbaar gesteld het beledigen van een groep mensen, respectievelijk het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen of discriminatie van mensen wegens hun homoseksuele gerichtheid of hun levensovertuiging. Oproepen tot geweld of discriminatie tegen vrije meningsuiting valt hier niet onder. Wel is strafbaar het aanzetten tot gewelddadig optreden tegen of discriminatie van homoseksuelen en ongelovigen, of deze groepen te beledigen in de zin van artikel 137c Sr.

Van strafbaar aanzetten tot gewelddadig optreden in de zin van artikel 137d Sr, waarvoor vereist is dat direct wordt opgeruid of opgeroepen tot gewelddadigheden, is in het interview geen sprake. Het OM is na het zien van het interview verder van oordeel dat evenmin sprake is van aanzetten tot discriminatie van homoseksuelen of ongelovigen of van het strafbaar beledigen van deze groepen.

Wanneer er sprake is van strafbare feiten biedt de wet voldoende garanties biedt met betrekking tot de bescherming van Nederlandse burgers en de rechtsstaat.

Vraag 3

Op welke manier wilt u voorkomen dat uitlatingen van dit soort extremistische groeperingen de kloof tussen bevolkingsgroepen vergroten? Wilt u de moslimgemeenschap oproepen zich publiekelijk te distantiëren van dit soort extremistische groeperingen die hun geloof in diskrediet brengen en angst aanwakkeren onder de overige bevolkingsgroepen?

Antwoord 3

Binnen de verschillende moslimgemeenschappen en breder in de Nederlandse samenleving wordt al actief afstand genomen van Sharia4Belgium en Sharia4Holland. Het is volstrekt helder dat extremistische uitlatingen onwenselijk zijn. Indien ze de grenzen van de wet overschrijden zal er stevig tegen worden opgetreden.

Vraag 4

Deelt u de mening dat Sharia4Belgium en aanverwante groepen met hun uitlatingen bewust de randen van het strafrecht opzoeken? Wordt de strafbaarheid van de dreigementen, in dit geval van de geïnterviewde, serieus onderzocht of worden andere maatregelen overwogen om deze uitingen aan te pakken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u hierover contact met uw Belgische collega? Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht over eventuele in het interview gepleegde strafbare feiten?

Antwoord 4

Nederland heeft rechtsmacht jegens eenieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Als uit nader onderzoek zou blijken dat het filmpje in Nederland op YouTube is geplaatst, is hiermee de rechtsmacht gegeven.

Overigens speelt voor de bepaling van de rechtsmacht ook een rol dat de interviewer Nederlander is, en Nederland en de Nederlandse situatie vaak ter sprake komen. Het interview is in elk geval ook mede gericht op Nederland. Dit geeft Nederland in principe rechtsmacht. In recente vergelijkbare zaken is dit geaccepteerd.

Vraag 5

Is het waar dat enkele personen die in november in België en Nederland opgepakt werden op verdenking van het voorbereiden van een terroristische aanslag betrokken waren bij Sharia4Belgium? Is dit voor u een signaal dat deze organisatie en de mensen die erbij betrokken zijn niet terugdeinzen voor het in de praktijk brengen van hun dreigementen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u daarop reageren?

Antwoord 5

De drie personen die in Nederland zijn aangehouden, zijn aangehouden op verzoek van de Belgische autoriteiten. Zij zijn verdachten in een Belgisch strafrechtelijk onderzoek. De drie personen zijn inmiddels overgeleverd aan België. In verband met het opsporingsbelang kan ik geen mededelingen doen over dit onderzoek dan wel over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken.

Vraag 6

Heeft u zicht op of onderzoekt u de banden die bestaan tussen Sharia4Belgium en de onlangs voor het voetlicht getreden groep Shariah4Holland? Bent u van mening dat Shariah4Holland oproept tot het gebruik van geweld? Wilt u Shariah4Holland nauwgezet volgen en aansluitend op de Kamervragen van 23 december 2010 beoordelen welke stappen tegen deze groep genomen kunnen worden?

Antwoord 6

In verband met het mogelijk doorkruisen van opsporingsbelangen kan ik geen mededelingen doen over eventueel lopende strafrechtelijke onderzoeken.

Vraag 7

Op welke wijze werkt u samen met de regeringen van andere Europese landen om de verbanden in kaart te brengen tussen groepen die de invoering van de shariah nastreven? Hoe vergroot u de weerbaarheid van de Europese samenlevingen tegen deze destabiliserende groeperingen?

Antwoord 7

Diverse Europese landen hebben coördinatiecentra die informatie en analyses met elkaar delen over fenomenen en groeperingen die in verband kunnen worden gebracht met radicalisering en terrorisme. In Nederland vervult de NCTb deze rol.

De weerstand en weerbaarheid binnen verschillende Europese samenlevingen tegen de in de vragen genoemde groeperingen is groot. Zowel binnen als buiten moslimgemeenschappen. Van «destabiliserende» groeperingen is dan ook geen sprake. Om de weerbaarheid in Nederland nog verder te versterken, ondersteunt het Rijk gemeenten en maatschappelijke partners bij de uitvoering van beleid gericht op het tegengaan van radicalisering en polarisatie (zie www.nuansa.nl voor voorbeelden van activiteiten). In Europees verband worden regelmatig ervaringen en praktijken uitgewisseld. Daarnaast neemt Nederland actief deel aan de uitvoering van het Stockholmprogramma met betrekking tot de preventie van extremisme.


X Noot
1

http://www.youtube.com/watch?v=8gccdozv5kc

X Noot
2

Enkele citaten uit het interview: «Niemand kan ontkennen dat Nederland het bolwerk is van het beledigen van de Oemma, de islam, de profeet»; «Dat Marcouch bijvoorbeeld, die zich voordoet als moslim, oproept om homofilie te accepteren in moskeeën. Dat de imams moeten oproepen om mee te leven met de homo’s en de lesbiënnes. ... Is het zover gekomen met de Oemma dat we zelfs de meest perverse, ziekelijke zaken moeten accepteren in ons geloof?»; «Als ik een radicale uitspraak mag doen. Ik heb liever dat dagelijks een moslim wordt neergeschoten dan dat onze geliefde boodschapper wordt beledigd. Liever ons bloed verliezen dan dat onze profeet wordt beledigd door een vervloekte ongelovige»; «Als u vraagt is de Oemma klaar dan zeg ik de Oemma moet er klaar voor zijn. Als wij moslims zijn moeten zaken kunnen opgeven voor ons geloof. Dit is onderwerping aan Allah».