Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20111304

Vragen van het lid Dibi (GroenLinks) aan de minister voor Immigratie en Asiel over een zaak waarin een tot het christendom bekeerde Iraanse familie geen asiel wordt verleend (ingezonden 10 december 2010).

Antwoord van minister Leers (Immigratie en Asiel) (ontvangen 4 februari 2011).

Vraag 1

Kent u de verblijfsprocedure van de familie A.?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3

Waarom is aan deze familie geen asiel toegekend, ondanks de bekering tot het christendom en het daarbij bestaande risico op vervolging in het land van herkomst Iran?

Hoe verhoudt zich deze beslissing tot het algemene beleid inzake in Nederland tot het christendom bekeerde Iraanse asielzoekers?

Antwoord 2, 3

Betrokkenen hebben in totaal twee asielaanvragen ingediend, te weten op

20 oktober 2001 en op 13 januari 2009. De eerste asielaanvragen zijn afgewezen vanwege het afleggen van ongeloofwaardige verklaringen. Deze afwijzingen zijn in rechte komen vast te staan.

Bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2007/15) van 13 juli 2007 inzake het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Iran, zijn Iraanse vreemdelingen die in Nederland tot het christendom zijn bekeerd, aangewezen als groep die bijzondere aandacht vergt. Dit betekent dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 in aanmerking kunnen komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn én dat zij daarnaast al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

Ter onderbouwing van de tweede asielaanvraag heeft de vader van het gezin aangevoerd dat hij zich in 2007 in Nederland heeft bekeerd tot het christendom en om die reden gevaar loopt bij terugkeer naar Iran. Er wordt niet getwijfeld aan de bekering van de vader van het gezin. Echter, deze bekering, noch een christelijke geloofsovertuiging is voldoende grond voor toelating. Er moet conform het desbetreffende beleid ook nog worden gekeken naar het individuele asielrelaas. Ten aanzien van de betrokken familie geldt echter dat van problemen, die niet met hun bekering verband houden, niet is gebleken, althans dat dergelijke problemen niet aannemelijk zijn geworden. Het asielrelaas, voor zover het niet ziet op de bekering, is immers ongeloofwaardig bevonden. Hieruit volgt dat het gezin op grond van het in WBV 2007/15 neergelegde beleid geen aanspraak kan maken op verlening van een verblijfsvergunning asiel. Dit oordeel is bevestigd door de rechtbank die het beroep van betrokkenen ongegrond heeft verklaard.

Vraag 4, 5

Hoe verhoudt deze beslissing zich tot de aangenomen motie Voordewind c.s. (Kamerstuk 32 500 VI, nr. 58)?

Bent u, gezien deze aangenomen motie, bereid in overweging te nemen dit gezin een verblijfsvergunning toe te kennen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4, 5

Ten aanzien van de aangenomen motie Voordewind c.s. verwijs ik naar mijn brief van hedenaan de Tweede Kamer, waarin ik het beleid ten aanzien van Iraanse christenen toelicht. Zoals ik in deze brief vermeld, zie ik het verzoek om in Nederland tot het christendom bekeerde Iraanse moslims onder dezelfde voorwaarden toe te laten als Iraanse christenasielzoekers, als ondersteuning van het vigerende beleid. Ik zie dan ook geen aanleiding om deze zaak in heroverweging te nemen.


XNoot
1

V-nummers: 120.100.5271, 120.10.5272, 120.100.5273, 120.100.5274.