Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-20111259

Vragen van het lid Van der Steur (VVD) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht «Sjaak vlucht voor Poolse rechter» (ingezonden 24 december 2010).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 1 februari 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1068.

Vraag 1

Bent u bekend met het bericht dat Nederland eigen onderdanen en onderdanen van andere EU-lidstaten relatief makkelijker overlevert dan veel andere landen, zoals bijvoorbeeld Duitsland?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kunt u aangeven om hoeveel zaken het jaarlijks gaat?

Antwoord 2

Het totaal aantal overleveringen aan andere EU-lidstaten bedroeg in 2009 408 personen. In de eerste helft van 2010 werden 342 personen naar andere EU-lidstaten overgeleverd.

Vraag 3

Om wat voor (strafbare) feiten gaat het in deze zaken?

Antwoord 3

Overlevering wordt voor vele type delicten verzocht. In een groot aantal gevallen gaat het om overtredingen van de wetgeving inzake verdovende middelen.

Vraag 4

Deelt u de conclusie van de Utrechtse hoogleraar Langbroek dat het (te) vaak om bagateldelicten gaat (20% van het totaal)? Deelt u voorts de mening dat de Nederlandse rechter meer beslissingsruimte voor zichzelf kan creëren door zich te beroepen op het Europese grondbeginsel van proportionaliteit?

Antwoord 4

Vooropgesteld dient te worden dat het systematische onderzoek van de heer Langbroek betrekking heeft op de periode 2006–2008 en dat hij zich voor de periode daarna lijkt te baseren op informatie betreffende individuele zaken die hem door advocaten en anderen zijn aangereikt. Dit is relevant, omdat het instrument van het EAB pas vanaf 2005 in de Uniebreed wordt toegepast. Het is een nieuw instrument, waarbij de justitiële autoriteiten voor het eerst geheel zelfstandig optreden. Zij raakten door de jaren heen steeds meer vertrouwd met het EAB en de werkwijze van andere lidstaten en de toepassing ervan heeft dan ook wijzigingen ondergaan.

Het kaderbesluit waarop het EAB berust, kent een limitatief aantal gronden waarop de justitiële autoriteiten de overlevering kunnen weigeren. De conclusie van de heer Langbroek als zou de overleveringsrechter daarnaast ruimte voor zichzelf kunnen creëren om overlevering te weigeren, miskent deze regeling en de kern van het beginsel van wederzijdse erkenning. Ik deel zijn conclusie niet.

Vraag 5 en 10

Is het naar uw mening de bedoeling dat de Overleveringswet tot gevolg heeft dat Nederlanders en onderdanen van andere EU-lidstaten vanwege een verdenking van «kleine» vergrijpen worden overgeleverd? Zo ja, welk probleem lost dat dan op? Zo nee, wat bent u voornemens daaraan te gaan doen?

Bent u voornemens maatregelen te nemen om dit soort gevallen te voorkomen?

Antwoord 5 en 10

Het instrument van het EAB is bedoeld om personen die zich hebben onttrokken van justitie en zich daaraan ook onttrokken houden door verblijf in een andere lidstaat, gedwongen terug te brengen om hetzij terecht te staan, hetzij een vrijheidsstraf uit te zitten. Het is een uitermate nuttig instrument dat in een Europa zonder binnengrenzen niet kan worden gemist.

Over de toepassing van het EAB is in september 2010 in algemene zin tussen Nederland en Polen gesproken, waarna een bilateraal overleg tussen justitiële autoriteiten van beide landen bij Eurojust heeft plaatsgevonden in december 2010. Daarbij zijn de Nederlandse ervaringen met Poolse EABs en de Poolse uitvaardigingspraktijk van EABs systematisch besproken. Het overleg is ook gebruikt om verschillende alternatieven voor een EAB te bespreken, waaronder de toepassing van het kaderbesluit inzake de inning van geldboetes dat sinds de afgelopen zomer tussen Nederland en Polen kan worden toegepast. Er zal dit jaar een vervolgoverleg in Polen volgen tussen Amsterdamse en Poolse justitiële autoriteiten.

Verder zijn in EU-kader de onderhandelingen over de richtlijn inzake het Europees onderzoeksbevel van betekenis, omdat door vereenvoudiging van de strafrechtelijke samenwerking in de onderzoeksfase de behoefte aan het uitvaardigen van een EAB kan afnemen.

Vraag 6

Acht u het wenselijk dat er voorwaarden worden gesteld aan de snelheid waarmee na de overlevering tot berechting wordt overgegaan zodat deze termijn bijvoorbeeld niet langer dan een half jaar kan zijn?

Antwoord 6

Bedacht moet worden dat de snelheid waarmee na de overlevering met de daadwerkelijke berechting kan worden begonnen sterk zal afhangen van de omstandigheden van de zaak. Is bijvoorbeeld meteen na het ontdekken van een strafbaar feit een EAB uitgevaardigd, omdat op basis van verhoren van getuigen of van informatie van het slachtoffer een verdachte kon worden geïdentificeerd, dan zal na diens overlevering verder onderzoek moeten plaatsvinden naar zijn exacte rol. Dat zal meer tijd vergen dan wanneer het gaat om een zaak waarin de verdachte zich tijdens zijn berechting het land heeft verlaten en niet is teruggekeerd en vervolgens wordt overgeleverd. Ik acht het dan ook niet wenselijk dat termijnen worden gesteld.

Vraag 7

Acht u het daarnaast wenselijk dat artikel 11 Overleveringswet wordt aangepast zodat overlevering alleen mogelijk is bij zwaardere delicten naar Nederlands recht?

Antwoord 7

Nee, ik acht de benedengrens dat het moet gaan om strafbare feiten waarop een maximumstraf van tenminste één jaar is gesteld passend. Die geldt ook in de traditionele uitleveringszaken.

Vraag 8

Deelt u de mening dat bagatel overleveringsverzoeken het Landelijk Internationaal rechtshulpcentrum Amsterdam nogal overbelasten en kunnen die hun tijd niet beter besteden aan het bestrijden van zware, georganiseerde criminaliteit dan aan bagateldelicten uit Oost-Europa?

Antwoord 8

Neen, de stelling dat bagateldelicten het IRC Amsterdam overbelasten mist feitelijke grondslag.

Vraag 9

Kunt u aangeven hoe een persoon uit het Schengen Informatie Systeem kan worden verwijderd indien een land overlevering heeft geweigerd? Ziet u reden om dit aan te passen?

Antwoord 9

Neen. Een weigering van de overlevering kan om diverse redenen plaatsvinden. De reden van de weigering zal meestal zijn gelegen in het nationale recht van de lidstaat waar het Europees aanhoudingsbevel is ontvangen. Daarmee is niet gezegd dat overlevering uit alle lidstaten onmogelijk is. Wanneer de overlevering wordt geweigerd kan de lidstaat waar de weigering heeft plaatsgevonden de signalering in het SIS markeren, d.w.z. dat deze in dat land niet meer geldt. Voor het overige lidstaten blijft de signalering gehandhaafd, opdat deze in die landen nog steeds tot aanhouding en overlevering kan leiden. Alleen de signalerende lidstaat kan een signalering verwijderen.


XNoot
1

NRC Handelsblad, «Sjaak vlucht voor de Poolse rechter», 20 en 21 november 2010.