Vragen van de leden
Groot
en
Vermeij
(beiden PvdA) aan de staatssecretaris van Financiën over fiscale belemmeringen bij het fuseren van pensioenfondsen (ingezonden
17 december 2010).
Antwoord van staatssecretaris
Weekers
(Financiën) (ontvangen 31 januari 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1004.
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de Pensioenfederatie d.d. 14 december 2010 betreffende overdrachtsbelasting
bij fusies van pensioenfondsen?1
Vraag 2
Deelt u de mening van de Pensioenfederatie dat fusies tussen pensioenfondsen maatschappelijk gewenst kunnen zijn met het oog
op krachtenbundeling, kostenbesparing en grotere efficiency door schaalvergroting?
Antwoord 2
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat fusies met het oog op krachtenbundeling, kostenbesparing en grotere efficiency
door schaalvergroting wenselijk kunnen zijn. Dit kan zonder meer ook gelden voor fusies tussen pensioenfondsen.
Vraag 3, 5
Is het waar dat pensioenfondsen die willen fuseren bij het samenvoegen van hun onroerend goed portefeuilles worden geconfronteerd
met het heffen van overdrachtsbelasting?
Hoeveel levert de overdrachtsbelasting uit fusies van pensioenfondsen jaarlijks op?
Antwoord 3, 5
In het geval dat een fusie tussen pensioenfondsen plaatsvindt waarbij (fictieve) onroerende zaken worden overgedragen zal
een beroep op de fusievrijstelling in de overdrachtsbelasting geen soelaas bieden. Voor toepassing van deze vrijstelling geldt
namelijk de eis dat er sprake moet zijn van de overdracht van een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan tegen uitgifte
van aandelen. Daarvan zal bij pensioenfondsen doorgaans geen sprake zijn. Naar schatting levert de overdrachtsbelasting uit
fusies van pensioenfondsen jaarlijks € 2 miljoen op.
Vraag 4
Deelt u de mening dat deze belastingheffing een financieel obstakel vormt bij het aangaan van fusies en dat dit onwenselijk
is?
Antwoord 4
In de overdrachtsbelasting is een aantal ondernemingsfaciliteiten opgenomen. De achterliggende gedachte van de meeste ondernemingsfaciliteiten
is de heffing van overdrachtsbelasting geen hinderpaal te laten zijn bij de totstandkoming van een economisch gezien wenselijke
rechtsvorm of positionering van onroerende zaken binnen een concern. Wanneer een fusie tussen pensioenfondsen ingegeven zou
zijn door mogelijk te behalen economische voordelen, en om die reden wenselijk zou worden geacht, dan kan de heffing van overdrachtsbelasting
een financiële drempel vormen. Hierbij moet worden bedacht dat de fiscale kant van het aangaan van fusies onderdeel uitmaakt
van een palet van aspecten die meewegen of een fusie doorgang vindt of niet.
Vraag 6, 7
Deelt u de mening van de Pensioenfederatie dat heffing van overdrachtsbelasting niet kan worden gerechtvaardigd gezien het
specifieke, niet op winststreven gerichte karakter van pensioenfondsen en gezien de omstandigheid dat bij fusies van pensioenfondsen
in wezen geen verandering van eigenaarschap plaatsvindt omdat pensioen uitgesteld loon is en de sociale partners eigenaar
blijven van het pensioenvermogen?
Bent u bereid maatregelen te nemen om pensioenfondsen, net als verenigingen en coöperaties, vrij te stellen van overdrachtsbelasting?
Zo nee waarom niet? Zo ja, op welke manier kan dit worden gerealiseerd en op welke termijn?
Antwoord 6, 7
Bij de totstandkoming van de Wet op belastingen van rechtsverkeer heeft de wetgever er bewust voor gekozen om de fusiefaciliteiten
te beperken tot rechtspersonen met een in aandelen verdeeld kapitaal die een onderneming drijven en niet van toepassing te
laten zijn op andere rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld de stichting, de rechtsvorm waarvan pensioenfondsen over het algemeen
gebruik maken. De achtergrond van deze keuze is gelegen in het feit dat de oorspronkelijke ondernemer nadat de fusie heeft
plaatsgevonden via het aandelenbezit gerechtigd blijft tot de onderneming. Bij verenigingen en stichtingen zonder aandelenkapitaal
is dit minder evident, aangezien een onderscheid tussen fusie en gewone (belastbare) overdracht moeilijker te maken is en
het minder doorzichtig is op welke wijze de belanghebbenden bij de fuserende lichamen na de fusie duurzaam betrokken blijven
bij of gerechtigd blijven tot het ondernemingsvermogen van het na de fusie overblijvende lichaam.
Het door de pensioenfederatie aangekaarte onderhavige geval dient in dit bredere kader te worden geplaatst. De vraag die eigenlijk
voorligt is of het huidige bouwwerk van de ondernemingsfaciliteiten toereikend is of dat er gestreefd zou moeten worden naar
meer rechtsvormneutraliteit. Ik ben op zich een voorstander van meer rechtsvormneutraliteit. Wel zal daarbij bezien moeten
worden onder welke voorwaarden fusies van andere rechtsvormen dan rechtspersonen met een in aandelen verdeeld kapitaal gefaciliteerd
kunnen plaatsvinden. Het is namelijk niet de bedoeling dat iedere fusie waarbij onroerend goed betrokken is vrij van overdrachtsbelasting
zou kunnen geschieden.
Reeds los van de specifieke pensioenfondsenproblematiek bestaat daarom het voornemen om te bezien of het mogelijk is om de
bestaande ondernemingsfaciliteiten meer rechtsvormneutraal te maken en derhalve open te stellen voor andere rechtspersonen,
zoals bijvoorbeeld de stichting, waarbij dan voorwaarden gesteld moeten worden die recht doen aan de uitgangspunten die thans
ook gelden voor de bestaande ondernemingsfaciliteiten. Een fusievrijstelling voor pensioenfondsen zal in dit bredere kader
moeten worden ingebed, omdat een specifieke uitbreiding voor alleen pensioenfondsen in strijd is met de regels die binnen
de EU bestaan voor staatssteun. Voorts zal daarbij tevens bezien worden of het thans gehanteerde ondernemingsbegrip mogelijk
te knellend is voor lichamen als pensioenfondsen. De besluitvorming over de verruiming van de huidige ondernemingsfaciliteiten
zal haar beslag krijgen in het kader van de komende begrotingscyclus.
XNoot
1kenmerk B/10/3553/TU.