Vragen van het lid Heijnen (PvdA) aan de minister Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over beperkingen door werkgevers aan het passief kiesrecht (ingezonden 16 december 2010).

Antwoord van minister Donner (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (ontvangen 25 januari 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1022.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over het arbeidsconflict tussen een journalist en zijn werkgever over de kandidaatstelling als gemeenteraadslid?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Deelt u de mening dat het passief kiesrecht één van de belangrijkste democratische rechten is? Vindt u het van belang dat hieraan niet meer restricties gesteld worden dan werkelijk nodig, om het aantal potentiële volksvertegenwoordigers zo groot mogelijk te houden?

Antwoord 2

Ja. Het belang van de uitoefening van het (actieve en) passieve kiesrecht wordt onderstreept door artikel 4 van de Grondwet, artikel 25 van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 3, Eerste Protocol, van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Vraag 3

Deelt u de zienswijze van het Hof dat het gemeenteraadslidmaatschap door de betrokken uitgever aangemerkt kan worden als arbeid voor derden? Betekent de uitspraak van het Hof een verdere inperking van het passief kiesrecht, nu hiermee tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank wordt ingegaan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft in zijn arrest van 28 september 2010 een oordeel gegeven over een geschil tussen werkgever en werknemer. Inroeping van het passieve kiesrecht moet in deze casus derhalve worden bezien in de privaatrechtelijke rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer. Het hof heeft in casu getoetst aan de arbeidsovereenkomst en de hierop van toepassing zijnde CAO voor de Dagbladjournalisten, waarin het criterium «arbeid voor derden» is opgenomen. Het hof heeft getoetst of binnen dit kader beperkingen konden worden gesteld aan de uitoefening van het passief kiesrecht. Het belang van de uitoefening van het passief kiesrecht is in dit geval afgewogen tegen de mogelijkheid van (de schijn van) conflicterende of juist verstrengelde standpunten en belangen, die afbreuk kunnen doen aan het door de werkgever gehuldigde en uitgedragen beginsel van onafhankelijk dagblad. Mede gezien de opstelling van de werkgever dat de betrokken werknemer, in geval hij zijn raadslidmaatschap doorzet, in de gelegenheid zal worden gesteld om een niet-journalistieke functie te vervullen, stelt het hof de werkgever in het gelijk.

Ik heb geen aanleiding het oordeel van het hof ter discussie te stellen.

Vraag 4

Bent u bereid werkgevers- en werknemersorganisaties te wijzen op het grote belang van het passief kiesrecht en van de representatie in de volksvertegenwoordiging op alle niveaus uit alle geledingen van de samenleving?

Antwoord 4

Nee, op grond van dit geval zie ik geen aanleiding om hiertoe over te gaan. Met artikel 7:643 van het Burgerlijk Wetboek is voorzien in een verlofregeling voor werknemers voor het bijwonen van vergaderingen van vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen, alsmede van commissies uit deze organen. Daarmee acht ik het belang dat moet worden gehecht aan de uitoefening van het passieve kiesrecht door werknemers voldoende kenbaar.

Vraag 5

Wilt u overwegen om nadere wettelijke regels te stellen aan beperkingen van het passief kiesrecht, zodat beperking van dit democratisch recht in de toekomst op objectieve criteria zullen berusten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Neen. De huidige wettelijke regelingen acht ik adequaat.


XNoot
1

LJN: BO0124.

Naar boven