Vragen van de leden Pechtold (D66), Cohen (PvdA), Roemer (SP), Halsema (Groenlinks), Rouvoet (ChristenUnie) en Thieme (PvdD) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over afrekenbare en controleerbare kabinetsdoelen met betrekking tot prestatie in het onderwijs (ingezonden 13 december 2010).

Antwoord van minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 25 januari 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1053.

Vraag 1

Klopt het dat het kabinet belooft dat «de prestaties in het onderwijs omhoog» gaan?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Kan het kabinet aangeven welke prestaties, van wie en in welke sectoren van het onderwijs omhoog zullen gaan?

Antwoord 2

Dit geldt voor alle sectoren. Goede (leer)prestaties op en (meer) aandacht voor kernvakken in elk deel van het onderwijs zijn nodig. Maar ook optimalisering van de aansluiting binnen en tussen de onderwijssectoren, wat moet leiden tot minder uitval en het vergroten van het studiesucces op alle niveaus. Het verhogen van de prestaties in het onderwijs hangt samen met de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om te behoren tot de top vijf van kenniseconomieën. Zie hiervoor ook het antwoord op Kamervragen 2010Z19266.

Vraag 3 t/m 5

Welke effect- en prestatie-indicatoren hanteert het kabinet om deze prestaties te meten?

Hoeveel moeten deze prestaties, op basis van de meetbare gegevens waarnaar vraag 3 verwijst, toenemen om de belofte van het kabinet waar te maken?

Wanneer moeten deze prestatieverhogingen zijn bereikt?

Antwoord 3 t/m 5

De subdoelstellingen en bijbehorende effect- en prestatie indicatoren zullen in de begroting 2012 nader worden uitgewerkt, met concrete streefwaarden. Ook in de begroting 2011 waren al indicatoren en streefwaarden opgenomen voor het monitoren van de onderwijsprestaties.

Vraag 6

Van welke nulmeting(en) maakt het kabinet gebruik?

Antwoord 6

Als nulmeting voor de geselecteerde effect- en prestatie indicatoren hanteert het kabinet, voor zover het bestaande indicatoren betreft, de meest recente waarde die bij aanvang van het kabinet in sept 2010 bekend was. Bij nieuwe indicatoren dient een nulmeting te worden vastgesteld.

Vraag 7

Wat zijn de tussendoelen voor deze prestatie op 31 december in 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015?

Antwoord 7

Zie antwoord 3.

Vraag 8 t/m 10

Wat gaat het kabinet doen om deze doelstellingen te bereiken?

Wanneer gaat het kabinet dit doen?

Welke instrumenten en middelen zijn er beschikbaar om deze doelen te bereiken?

Antwoord op 8 t/m 10

  • Het kabinet is voortvarend aan de slag gegaan met de uitwerking van het Regeerakkoord. Een voorbeeld is het aangekondigde Actieplan Beter Presteren, waarvoor wordt verwezen naar mijn brief van 7 december 2010 aan de Onderwijsraad die ik op dezelfde dag aan uw Kamer heb gezonden samen met het rapport Resultaten PISA-2009 in vogelvlucht. Andere voorbeelden zijn de reactie op het advies van de commissie Veerman die u in februari zult ontvangen, het aan de Tweede Kamer toegezegde Actieplan mbo 2011–2015 en het nieuwe bedrijfslevenbeleid van het kabinet dat in het voorjaar van 2011 op hoofdlijnen wordt toegelicht.

  • Over de voortgang van deze en andere maatregelen en de gekozen instrumenten en middelen zal het kabinet de Tweede Kamer op de geëigende momenten informeren.

(NB: dit antwoord is identiek aan antwoord 6 op Kamervragen 2010Z19266)

Vraag 11

Op welke manier en wanneer gaat het kabinet jaarlijks verantwoording afleggen?

Antwoord 11

Het kabinet zal jaarlijks via het reguliere verantwoordingsproces, in het departementaal jaarverslag dat op Verantwoordingsdag aan de Tweede Kamer wordt aangeboden door de minister van Financiën, verantwoording afleggen.

Bij de begroting van OCW wordt ook de publicatie Trends in Beeld gepubliceerd (de stelsel monitor van OCW, zie www.trendsinbeeld.minocw.nl). Ook hierin zullen de prestatieindicatoren, gerelateerd aan het verhogen van de prestaties in het onderwijs, worden opgenomen.


XNoot
1

Regeerakkoord, pagina 31.

Naar boven