Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
770
Vragen van het lid Leijten (SP) aan de staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de desastreuze gevolgen bij
branden in bejaardentehuizen en ziekenhuizen. (Ingezonden 15
oktober 2009)
1
Wat is uw reactie op het feit dat een deel van de patiënten in bejaardentehuizen
en ziekenhuizen niet kunnen worden geëvacueerd?1
2
Wat is uw reactie op het feit dat in 31% van de ziekenhuizen en
in 36% van de bejaardentehuizen niet iedereen weg kan komen?
3
Bent u van mening dat het zeer onwenselijk is dat vluchtwegen ontbreken
of dat de vluchtroutes niet bekend zijn bij medewerkers, zeker omdat hierover
in juni 2007 al afspraken over zijn gemaakt door het ministerie van VROM?2
4
Hoe verklaart u dat reeds in 2004 rondom de veiligheid van patiënten,
bewoners en medewerkers een systematiek (project «Sneller beter»)
is ontwikkeld, maar het implementatietraject nog steeds niet heeft geleid
tot de gewenste resultaten, namelijk veiligheid voor patiënten, bewoners
en medewerkers?
5
Hoe verklaart u dat in de sector verpleging en verzorging aandacht is
geschonken aan scholing met als doel de zorgmedewerkers te scholen als bedrijfshulpverlener
maar dit niet heeft geleid tot de gewenste resultaten, namelijk veiligheid
voor patiënten, bewoners en medewerkers?
6
Wat is uw reactie op het feit dat het geactualiseerde Brandbeveiligingsconcept
Gezondheidszorggebouwen (2007) niet heeft geleid tot veiligheid van patiënten,
bewoners en medewerkers?
7
Wat is uw reactie op het feit dat bijna een vijfde van de basisscholen
en een kwart van de crèches niet oefenen, en van ziekenhuizen en zorgcentra
zelfs maar de helft oefent?
8
Bent u van mening dat in situaties waarbij mensen aanwezig zijn die zelf
niet kunnen ontsnappen uit zorgcentra er voldoende geschoolde medewerkers
aanwezig moeten zijn? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen?
9
Bent u van mening dat door te weinig personeel niet iedereen tijdig het
pand kan verlaten, wat leidt tot desastreuze gevolgen bij branden in zorg-
en welzijnsinstellingen, dit een zeer onwenselijke situatie is? Welke maatregelen
gaat u treffen om dit op te lossen?
10
Bent u nog steeds van mening dat zorginstellingen zelf verantwoordelijk
zijn voor hun brandveiligheidsbeleid? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen?
Zo ja, op welke wijze gaat u erop toezien dat iedere zorginstelling adequate
maatregelen voor brandveiligheid treft?
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Bussemaker (Volksgezondheid,
Welzijn en Sport), mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (ontvangen 25 november 2009)
1
Een instelling waar cliënten verblijven die bij een calamiteit niet
geëvacueerd kunnen worden, vind ik niet aanvaardbaar.
2
Uit de rapportage van de Brandwondenstichting blijkt dat bij een aantal
instellingen «het ontruimen» nog geen gemeengoed is. Ik betreur
dat. Maar ik zie ook dat er een behoorlijk aantal instellingen is die brandveiligheid
serieus nemen en wel jaarlijkse ontruimingsoefeningen houden om de brandveiligheid
in de voorziening in de praktijk te oefenen.
De bestuurder van de instelling is primair verantwoordelijk voor een brandveilige
omgeving binnen de instelling. Om die verantwoordelijkheid ook waar te kunnen
maken ondersteun ik de instellingen daarbij zoveel mogelijk. Ik heb u hierover
via het Actieprogramma Brandveiligheid geïnformeerd. In 2009 heb ik de
volgende instrumenten laten ontwikkelen:
• een brandveiligheidsmatrix; een instrument waarmee instellingen
op een objectieve wijze hun brand(on)veiligheid in kaart kunnen brengen. TNO
Centrum Zorg en Bouw, als ontwikkelaar van dit model, ondersteunt in 2009/10
de instellingen kosteloos bij het «invullen» van dit model;
• e-learning instrumenten voor het onderwijs (ROC) en de bedrijfshulpverlening;
• samen met de koepelorganisaties (LOC) van cliëntenraden
in de zorg is een handboek opgesteld voor de cliëntenraden, dat hen ondersteunt
bij het bevragen van de bestuurder naar de mate van brandveiligheid bij de
instelling;
• Het jaar 2009 heb ik afgesloten met een beurs Brandveiligheid
in de zorg die op 4 en 5 november is gehouden. Deze interactieve beurs besteedde
vooral aandacht aan de brandveiligheid voor, tijdens en na de brand. Bedrijven
en keurmerken lieten zien hoe een brandveilige organisatie er uit kan zien
en wat daar voor gedaan moet worden.
Deze instrumenten bieden de bestuurder de mogelijkheid brandonveilige
situaties bij zijn instelling snel in kaart te brengen en vervolgens daarvoor
de geëigende maatregelen voor te nemen.
3
In de antwoorden op Kamervragen van leden Kant en De Wit d.d. 30 oktober
2006 waar u naar verwijst bij uw vraagstelling wordt geen melding gedaan van
aanvullende afspraken over vluchtwegen of vluchtroutes. Afspraken over vluchtwegen
zijn vastgelegd in Bouwbesluit 2003 en het Gebruikersbesluit Brandveilig gebruik
bouwwerken. Zoals ik eerder opmerkte, vind ik een instelling waar cliënten
verblijven die bij een calamiteit niet geëvacueerd kunnen worden niet
aanvaardbaar.
4
Het project Sneller Beter is een landelijk kwaliteitsprogramma om de zorg
in ziekenhuizen veiliger, efficiënter en patiënt gerichter te maken.
Dit programma richt zich niet op de brand(on)veiligheid waarover u vragen
stelt.
5 en 6
Een brand(on)veilige instelling wordt door een combinatie van factoren
bepaald. Het onderzoek van de Brandwondenstichting heeft die factoren niet
in beeld gebracht. Door mij gevraagd geeft de Brandwondenstichting dan ook
aan dat op basis van deze quick scan geen uitspraken over brand(on)veiligheid
kunnen worden gedaan.
Een brandveilige omgeving in de zorg vind ik erg belangrijk. Eerder heb
ik uw Kamer aangegeven een vinger aan de pols te houden. Overeenkomstig de
toezegging aan uw Kamer (TK 2008–2009, 26 956, nr. 53) zullen
de samenwerkende rijksinspecties (de VROM-Inspectie, Inspectie Gezondheidszorg,
Arbeidsinspectie) in 2010 inspecties uitvoeren. Hierbij zal vooral worden
ingegaan op de situaties waar de meeste risico’s zijn. Dit zowel op
het terrein van de bouwtechnische en gebruikstechnische kwaliteit als de BHV-organisaties
en andere organisatorische maatregelen.
7 t/m 9
Zoals ik eerder opmerkte is de bestuurder van de instelling primair verantwoordelijk
voor een brandveilige omgeving bij zijn instelling. Daarbij hoort ook het
geregeld oefenen. Ik vind dat deze bestuurder alles in het werk moet stellen
dat veiligheid goed is geregeld. Ik ondersteun de instelling daarbij zoveel
mogelijk. Voor mijn bijdrage verwijs ik u naar wat ik u hiervoor heb gemeld.
XNoot
1 De Telegraaf, 1 oktober 2009: «Zorgcentra laks met oefenen
voor brand».
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 702.
Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 396.