Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

476

Vragen van het lid Poppe (SP) aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de bouw van een Reststoffen Energie Centrale in Harlingen. (Ingezonden 25 september 2009)

1

Bent u op de hoogte van het massale verzet van nagenoeg alle inwoners van Harlingen tegen de bouw van een Reststoffen Energie Centrale in Harlingen? Bent u van mening dat dit massale verzet voldoende reden is om van de bouw van een Reststoffen Energie Centrale in Harlingen af te zien? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan de mening van de inwoners van Harlingen?

2

Kunt u uiteenzetten hoe in landelijk opzicht de actuele stand van zaken is met betrekking tot de beschikbare capaciteit aan verbrandingsovens in relatie tot het aanbod aan brandbaar afval? Kunt u daarbij tevens een doorkijk geven naar die verhouding in de komende 10 jaar waarin steeds meer afval gescheiden en gerecycled zal worden?

3

Is het waar dat er bij AVR een tekort aan aanbod van brandbaar afval ontstaat vanwege het mislopen van cruciale contracten en dat om dit tekort aan te vullen er afval uit het buitenland geïmporteerd moet worden? Betekent dit dat er inmiddels voldoende capaciteit is voor verwerking van het Nederlands aanbod aan brandbaar afval? Zo nee, waar blijft het overschot aan brandbaar afval dan?

4

Hoe groot is, in het licht van voorgaande vragen, het nationale belang nog voor de verwerking van ons afval van de komst van de Reststoffen Energie Centrale in Harlingen? Is op geen enkele andere wijze en op geen enkele andere, minder omstreden, locatie in de toekomst te voorzien in de verwerking van ons afval? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid met de OMRIN deze opties te bespreken?

5

Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over de ideeën met betrekking tot een initiatief van een Reststoffen Energie Centrale in Harlingen? Is het waar dat dit idee eind jaren negentig ook aan de orde is geweest? Zo ja, wat was toen de reden om er van af te zien?

6

Kunt u uiteenzetten wanneer voor u de maat vol is en u wilt gaan ingrijpen in de hele gang van zaken rond de vergunningverlening voor de Reststoffen Energie Centrale in Harlingen? Hoeveel lokaal verzet is nodig? Mag de vergunning afwijken van landelijke eisen voor milieubescherming? In hoeverre mag de vergunning de natuur en belevingswaarden van beschermd natuurgebied als de Wadden, onder druk zetten? In hoeverre mag de vergunning afwijken van de eis voor toepassing van best beschikbare technieken?

7

Bent u bereid de vergunning, de MER’s en de passende beoordelingen en de hele vergunningverleningprocedure door te lichten en uw oordeel over de bouw van de voorgestelde Reststoffen Energie Centrale in Harlingen te geven? Zo nee, waarom niet en bent u het dan met burgemeester Scheffer eens dat deze oven een gezonde oven is?

Antwoord

Antwoord van minister Cramer (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) (ontvangen 28 oktober 2009)

1

Ja.

Nee.

Het feit dat ik geen initiatief neem om af te zien van de bouw van de AVI in Harlingen, nog afgezien van de vraag of ik daar de juridische mogelijkheden voor heb, betekent totaal niet dat ik weinig belang hecht aan de mening van de inwoners van Harlingen. Integendeel zelfs, ik hecht juist veel belang aan de mening van die inwoners. Want zoals ongetwijfeld bij u bekend is, heb ik gesproken met vertegenwoordigers van de Stichting Afvaloven Nee. Ik heb in dat gesprek en in brieven die ik daarna aan de stichting heb gestuurd, mijn zorg uitgesproken over het wantrouwen dat in Harlingen en omstreken is ontstaan jegens de overheid en over de zorgen die de omwonenden hebben over de gevolgen van de AVI voor hun gezondheid. Daarom heb ik het aanbod gedaan om enkele onafhankelijke deskundigen in een publieke sessie met elkaar in debat te laten gaan over de onderwerpen die ten grondslag liggen aan de zorgen van de bevolking. Mijn streven is om met een dergelijk debat het wantrouwen en de zorgen van de bevolking weg te nemen.

Verder wil ik nog het volgende opmerken.

De hoeveelheid afvalverbrandingscapaciteit (AVI-capaciteit) in Nederland is het afgelopen jaar veelvuldig onderwerp van discussie geweest, onder meer tijdens het nota-overleg over het tweede LAP in maart en april 2009.

Ook tijdens het AO Afval en verpakkingen van 8 oktober 2009 is uitgebreid bij dit onderwerp stil gestaan. Ik heb daarbij aangegeven dat we naar mijn mening in Nederland nagenoeg een evenwicht hebben bereikt tussen het aanbod brandbaar restafval en de AVI-capaciteit. Weliswaar is er op dit moment een lichte overcapaciteit, maar dat is voornamelijk het gevolg van de economische crisis. Ik verwacht dat het aanbod brandbaar afval zal toenemen als de crisis minder wordt.

Gelet op de evenwichtsituatie, vind ik dat er geen AVI-capaciteit meer mag bijkomen. Ik heb daarover met het betrokken bedrijfsleven gesproken en men is het met mij eens dat er voldoende capaciteit beschikbaar en in aanbouw is en dat het niet wenselijk is dat er nog meer capaciteit bijkomt. Daarom ga ik met het betrokken bedrijfsleven afspraken maken over een moratorium tot 2020 en die afspraken schriftelijk vastleggen. Ik heb de Kamer daarover geïnformeerd tijdens het genoemde AO van 8 oktober.

Tegelijkertijd start ik een wijzigingsprocedure van het tweede LAP, die tot doel heeft om een bepaald onderdeel van de nieuwe Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) begin 2010 in het geldende beleidskader vast te leggen. Het gaat daarbij om het onderscheid tussen verbranden als vorm van verwijdering en verbranden als vorm van nuttige toepassing. Met die voorziene wijziging van het LAP loop ik vooruit op de implementatie van de kaderrichtlijn, want die hoeft pas eind 2010 in de wetgeving van de afzonderlijke lidstaten te zijn verwerkt.

Door de wijziging van het LAP zal een deel van de Nederlandse AVI’s eerder dan volgens de regelgeving noodzakelijk is als installatie voor nuttige toepassing worden gekwalificeerd. Die AVI’s krijgen dan de zogeheten R1-status. Dat draagt er aan bij dat voor die AVI’s eerder dan eind 2010 een gelijkwaardig Europees speelveld op dit gebied wordt bereikt.

Overigens heb ik tijdens het AO van 8 oktober aangegeven dat tijdens de inspraakperiode iedereen kan reageren op het voornemen om een deel van de AVI’s de R1-status te geven. Op basis van de inspraakreacties zal ik begin 2010 een inschatting maken van het risico van het vooruitlopen op de implementatie van de nieuwe Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en hierover een definitief besluit nemen, dat ik ook aan de Kamer zal mededelen.

2

Zie het antwoord op vraag 1 en mijn brieven van 10 april 2009 (30 872, nr. 20) en 17 september 2009 (30 872, nr. 47).

3

Het is mij bekend dat er AVI’s zijn die momenteel geen vollast hebben. Het is mij niet bekend in hoeverre het mislopen van bepaalde contracten daarvoor een oorzaak is.

Zie ook het antwoord op vraag 1.

4

Zie het antwoord op vraag 1 en mijn brieven van 10 april 2009 (30 872, nr. 20) en 17 september 2009 (30 872, nr. 47).

5

Sinds 1991 wordt jaarlijks het rapport «Afvalverwerking in Nederland» opgesteld. In dat rapport wordt onder meer aangegeven hoeveel afval in Nederland wordt gestort, verbrand en gecomposteerd en zijn de verwerkingsinstallaties opgenomen.

Vanaf 2002 wordt in dit rapport ook aangegeven welke initiatieven er bestaan voor uitbreiding van de AVI-capaciteit. Het initiatief van Omrin Friesland is voor het eerst in de rapportage over 2005 opgenomen, met de toevoeging dat een locatiekeuze nog niet was gemaakt. In de rapportage over 2006 is bij het initiatief de naam «Harlingen» toegevoegd.

6

Bij de vergunningverlening moet het bevoegd gezag rekening houden met alle wettelijke bepalingen inzake milieubescherming, natuur, belevingswaarden, enz. Naar mijn mening is dat bij de AVI Harlingen correct gebeurd.

Zie ook mijn antwoord op vraag 1 en op de vragen van het lid Poppe over de verbranding van recyclebaar afval (Vergaderjaar 2008–2009, Aanhangsel, 3526).

7

Zie het antwoord op vraag 6.

Naar boven