Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
402
Vragen van het lid Van Velzen (SP) aan de minister van
Justitie over de vervolging van de veroordeelde oorlogsmisdadiger F.
door de Duitse autoriteiten. (Ingezonden 1 september 2009)
1
Herinnert u zich de eerdere vragen over de vervolging van de in Nederland
veroordeelde oorlogsmisdadiger F.? Wat betekent uw antwoord dat u «al
hetgeen verdragsrechtelijk en wettelijk mogelijk is gedaan wordt om ervoor
te zorgen dat de betreffende Nederlandse vonnissen alsnog ten uitvoer gelegd
kunnen worden»?1 Kunt u opsommen wat u na beantwoording
van de Kamervragen heeft gedaan om «ervoor te zorgen dat de betreffende
Nederlandse vonnissen alsnog ten uitvoer gelegd kunnen worden»?
2
Is het u bekend dat het Simon Wiesenthal Center dit jaar een top tien
van meest gezochte oorlogsmisdadigers heeft gepubliceerd waarop twee (voorheen)
Nederlanders «prijken», te weten K. C. F. en H. B.? Staan deze
mensen nog steeds gesignaleerd in Nederland? Geldt dit ook voor S. B.?
3
Deelt u de mening dat het nog steeds van groot belang is deze heren te
vervolgen voor de misdaden die zij hebben begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog?
4
Bent u bereid er bij uw Duitse collega op aan te dringen de wet «Erlass
des Führers» uit 1943, die buitenlanders die hebben gediend bij
Duitse legeronderdelen automatisch de Duitse nationaliteit toekende, alsnog
in te trekken?
5
Bent u bereid alsnog druk uit te oefenen op uw Duitse collega om uitlevering
c.q. berechting van deze oorlogsmisdadigers? Zo nee, waarom niet?
6
Bent u bereid te speuren naar aanvullend bewijsmateriaal of nieuwe feiten
om een inbeschuldigingsstelling te kunnen onderbouwen?
7
Bent u alsnog bereid de nabestaanden juridisch te ondersteunen bij het
starten van een civiele zaak tegen deze oorlogsmisdadiger(s)?
Antwoord
Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie) (ontvangen 19 oktober 2009) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2009–2010, nr. 58
1 en 5
Voor de antwoorden op deze vragen verwijs ik u naar de antwoorden op de
door u in vraag 1 aangehaalde Kamervragen en mijn antwoorden op de Kamervragen
gesteld door het lid Azough op 28 april 20081. Alle ter beschikking
staande middelen waren reeds ingezet. Er zijn geen nieuwe mogelijkheden of
informatie beschikbaar gekomen. Alle informatie waarover Nederland beschikte
is aan de Duitse autoriteiten overgedragen. Zoals ook in de media bekend is
geworden, begint op 28 oktober 2009 het proces tegen H.B. bij het Landgericht
in Aachen. H.B. wordt vervolgd voor de moord op F.H.E. Bicknese gepleegd op
14 juli 1944 en de moorden op T. de Groot en F.W. Kustere, beide gepleegd
op 3 september 1944. H.B. is voor deze moorden op 18 oktober 1949 bij verstek
ter dood veroordeeld door het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam.
2
De genoemde personen staan alle drie in Nederland gesignaleerd.
3
Ja. Zoals al volgde uit mijn antwoorden op vragen door de leden van uw
Kamer Van Velzen, Teeven en Wolfsen d.d. 28 juni 20072, zijn
alle verdragsrechtelijke en wettelijke mogelijkheden benut om te bewerkstelligen
dat het recht zijn loop zou krijgen.
4
Artikel 16, eerste lid, van de Duitse Grondwet bepaalt dat de Duitse nationaliteit
niet kan worden ontnomen. Zelfs als dit wel zou kunnen, valt te betwijfelen
of intrekking van het Führererlass van 19
mei 1943 – zo al mogelijk – consequenties zou hebben voor de in
de vragen bedoelde personen. Het Führererlass
uit 1943 hoeft namelijk niet bepalend te zijn voor de verkrijging van de Duitse
nationaliteit door de oorlogsmisdadigers in kwestie. Uit paragraaf 2,
van het Duitse «Staatsangehörigkeitsgesetz» (StAG) blijkt
immers dat de Duitse nationaliteit ook wordt verkregen door degene die meer
dan twaalf jaar door de Duitse overheid als Duitser is behandeld, waarvan
met name sprake is in het geval van de verstrekking van een Duits identiteitsbewijs.
Mochten de Nederlandse oorlogsmisdadigers de Duitse nationaliteit niet op
grond van het Führererlass hebben verkregen,
dan ligt verkrijging van de Duitse nationaliteit op grond van het StAG in
de rede.
6
Hoewel daarvoor op dit moment aanknopingspunten ontbreken, heeft het OM
mij bericht dat het in geval van geschikte nieuwe informatie, onderzoek daarnaar
zal (laten) instellen.
7
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op de
door u in vraag 1 aangehaalde Kamervragen en mijn antwoorden op de Kamervragen
gesteld door het lid Azough op 28 april 20083. In een mogelijke
civiele zaak heb ik als Minister van Justitie geen rol.
XNoot
1 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 2345.
XNoot
0heb ik als Minister van Justitie geen rol.
XNoot
1 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2007–2008, nr. 2503.
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2006–2007, nr. 2345
XNoot
3 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2007–2008, nr. 2503.