Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-20102921

Vragen van het lid Van Dam (PvdA) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de resolutie in de VN-Mensenrechtenraad aangaande de veroordeling van de aanval van Israël op een internationaal hulpkonvooi (ingezonden 4 juni 2010).

Antwoorden van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 14 juli 2010)

Vraag 1

Is het waar dat Nederland in de VN-Mensenrechtenraad van 2 juni jl. tegen de resolutie aangaande de veroordeling van de aanval van Israël op een internationaal hulpkonvooi heeft gestemd?

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Bent u bekend met de afgelegde verklaring van de Nederlandse vertegenwoordiger en kunt u aangeven welke voorstellen van de Europese Unie niet zijn overgenomen in de resolutie en aanleiding zijn geweest voor het tegenstemmen?

Antwoord 2

De landen Pakistan, Soedan en Nigeria hebben namens de Arabische landen en de landen van de OIC een spoeddebat aangevraagd tijdens de 14e reguliere zitting van de Mensenrechtenraad (MRR) over het flottielje-incident. Tijdens dit debat hebben zij een resolutie ingediend die verder ging dan een veroordeling van het Israëlische optreden. De resolutietekst verzocht het ICRC om onderzoek te doen naar de verblijfplaats van de opvarenden en verzocht ook de voorzitter van de MRR om leden van een onafhankelijke fact-finding missionte benoemen die in de 15e zitting van de MRR (september 2010) moest rapporteren over hetgeen is voorgevallen.

De EU heeft vervolgens tekstvoorstellen gedaan om de resolutie in lijn te brengen met de voorzittersverklaring van de VN-Veiligheidsraad (VNVR) van 1 juni 2010 en de verklaring die HV Ashton daags daarvoor had uitgegeven. Deze voorstellen adresseerden onder andere de eigen interpretatie die de concept-resolutie gaf aan de voorzittersverklaring van de VN-Veiligheidsraad (die niet vooruitloopt op een internationale onafhankelijke fact finding missie), en het feit dat de MRR rechtstreeks het ICRC zou instrueren. Overeenstemming over de Europese tekstvoorstellen bleek niet mogelijk, waarna de oorspronkelijke resolutietekst in stemming werd gebracht.

Nederland heeft vervolgens een stemverklaring afgegeven waarin uiteengezet is waarom ons land tegen een discussie in de VN-Mensenrechtenraad was en waarom vervolgens een tegenstem is afgegeven. Nederland was, met de VNVR en de HV, en is van mening dat het éérst aan Israël en desgewenst de vlaggenstaten is om onderzoek uit te voeren. Daartoe riep de VNVR op, daartoe riep de EU op en daartoe heeft ook Nederland opgeroepen. Dat onderzoek zal meer duidelijkheid moeten verschaffen over de wijze waarop is opgetreden. Of er een rol is voor de VN of andere internationale organisaties, is pas daarna aan de orde. Voorts moeten de internationale inspanningen gericht zijn op de-escalatie en de herstart van het Midden-Oosten Vredesproces. Deze resolutie zou daar niet aan bijdragen.

Vraag 3

Waarom hebben ondermeer België, Frankrijk en Groot-Brittannië besloten zich van stemming te onthouden? Waarom vindt u de argumentatie van deze andere EU-lidstaten niet valide dan wel niet overtuigend?

Antwoord 3

Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de overwegingen die geleid hebben tot de nationale positiebepaling van EU-partners. De Nederlandse overwegingen – zoals hierboven omschreven – waren duidelijk en noopten tot een tegenstem; Nederland is niet als enige tot deze afweging gekomen, getuige de tegenstem van de VS en Italië. Overigens waren deze landen het blijkbaar ook niet volledig eens met de inhoud van de resolutie anders hadden ze zich niet onthouden.

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen ter zake van de leden Peters (GroenLinks) en Van Dam (PvdA), ingezonden 3 juni 2010 (vraagnummer 2010Z09056).