Vragen van het lid Çörüz (CDA) aan de minister van Justitie over het niet vervolgen van zeker zestien in Nederland wonende misdadigers uit Rwanda (ingezonden 27 april 2010).

Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie) (ontvangen 28 juni 2010). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2521.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitzending1 waarin wordt gemeld dat het Openbaar Ministerie (OM) zeker zestien in Nederland wonende misdadigers uit Rwanda niet vervolgt?

Antwoord 1

Ik heb kennisgenomen van berichtgeving over dit onderwerp.

Vraag 2

Zijn de feiten, zoals in de uitzending genoemd, waar?

Antwoord 2

Het klopt dat in Nederland personen verblijven die mogelijk betrokken zijn geweest bij de genocide in Rwanda in 1994. De feiten die in onderhavige berichtgeving zijn genoemd waren reeds bekend bij het Openbaar Ministerie en de Nationale Recherche.

Informatie over oorlogsmisdadigers, folteraars en genocidairs – waaronder Rwandese genocidairs – komt bij de Nationale Recherche en het Openbaar Ministerie binnen via diverse kanalen. Deze meldingen worden allemaal op hun merites beoordeeld, en kunnen leiden tot een (oriënterend) vooronderzoek. In enkele gevallen heeft dit vervolgens tot een opsporingsonderzoek geleid. Recentelijk is iemand veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Tegen deze veroordeling loopt nog een hoger beroep. De Nationale Recherche heeft op 21 juni jongstleden een aanhouding verricht van een verdachte ter zake van betrokkenheid bij de genocide in Rwanda in 1994. Deze persoon is op 24 juni voorgeleid aan de rechter-commissaris voor internationale misdrijven bij de rechtbank Den Haag.

Om de samenwerking tussen Nederland en Rwanda op justitieel gebied te versterken en een situatie te creëren waarin een uitleveringsverdrag kan worden gesloten, heb ik op 19 juni jongstleden in Kigali een intentieverklaring getekend met mijn Rwandese collega Karugarama. Wij spraken daarbij de wens uit dat Nederland de Rwandese verdachten van oorlogsmisdaden en genocide die zich in Nederland bevinden, in de toekomst aan Rwanda kan uitleveren. Daarbij zullen aan beide zijden de garanties van behoorlijke rechtspraak in acht worden genomen. Wij hebben in verband hiermee ook afspraken gemaakt over het uitwisselen van kennis en expertise op het terrein van getuigenbescherming en over het trainen van rechters, officieren van justitie, en andere professionals in de justitieketen.

Vraag 3

Woont verdachte K. in Nederland en is hij inderdaad in Rwanda al veroordeeld?

Antwoord 3

K. woont in Nederland en is naar alle waarschijnlijkheid niet door een normale rechtbank in Rwanda veroordeeld. Mogelijk is K. door een zogenoemde gacaca-rechtbank veroordeeld, een volkstribunaal dat is ingesteld ter berechting van de daders van de genocide in 1994. Hier is echter tot op heden geen duidelijkheid over.

Vraag 4 en 5

Indien het antwoord op de vragen 2 en 3 positief luidt, waarom gaat Nederland niet tot vervolging over?

Bent u bereid een onderzoek naar deze kwestie te (doen) starten en alsnog tot vervolging over te gaan?

Antwoord 4 en 5

Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 3 reeds is aangegeven zijn het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche op de hoogte van de genoemde feiten en worden er, als daar aanleiding toe is, vooronderzoeken uitgevoerd die in sommige gevallen leiden tot een opsporingsonderzoek. De bewijsvoering in dit soort zaken is echter doorgaans zeer gecompliceerd. Ook het bestaan van een eventuele gacaca-veroordeling is geen garantie voor een kansrijk strafrechtelijk proces in Nederland. Alle dossiers blijven echter de aandacht van het OM en de Nationale Recherche houden. Steeds wanneer nieuwe informatie wordt verkregen wordt de situatie van een zaak opnieuw beoordeeld, en kan alsnog tot het starten van een opsporingsonderzoek worden besloten.


XNoot
1

NOS Radio 1 Journaal, 24 april 2010.

Naar boven