Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-20102693

Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister van Justitie over de vervolging van de stichting Martijn (ingezonden 27 mei 2010).

Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie) (ontvangen 18 juni 2010). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2640.

Vraag 1

Kent u het bericht «Pedoclub hielp man die kind misbruikte sporen te wissen»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2

Is er inmiddels een aanklacht ingediend tegen de omstreden pedofielenvereniging Martijn? Zo ja, is er al begonnen met een strafrechtelijk onderzoek? Zo nee, is het Openbaar Ministerie (OM) dan uit eigen beweging met een onderzoek begonnen?

Antwoord 2

Er is op 25 mei 2010 een aangifte binnengekomen bij het parket Zwolle-Lelystad van het Openbaar Ministerie. Op dit moment wordt door het parket onderzocht of deze aangifte aanknopingspunten bevat voor strafrechtelijk onderzoek.

Vraag 3

Welke mogelijkheden heeft u om het OM tot een strafrechtelijk onderzoek aan te zetten? Gaat u, indien nodig, van een van deze mogelijkheden gebruik maken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 3

In het Nederlandse systeem van strafvordering beslist het Openbaar Ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel of het voldoende aanleiding ziet om tot strafvervolging over te gaan.

Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 5.

Vraag 4

Deelt u de mening dat de vereniging Martijn direct en indirect seksueel geweld tegen kinderen vergoelijkt? Zo ja, vindt u dit acceptabel te meer omdat het gaat om kinderen die niet in staat zijn hiertegen te ageren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

De Vereniging Martijn streeft een wetswijziging na die seks tussen volwassenen en kinderen mogelijk moet maken, zolang er geen dwang aan te pas komt. De denkbeelden van de Vereniging vind ik zeer verwerpelijk. Reeds het uitdragen ervan impliceert het vergoelijken van seksuele handelingen met kinderen, die ook zonder toepassing van dwang ernstige strafbare feiten opleveren. Indien de Vereniging zich schuldig maakt aan strafbare feiten, zal daartegen strafrechtelijk worden opgetreden.

Vraag 5

Welke wettelijke bepalingen (zowel in het straf- als burgerlijk recht) zijn er om stichtingen of andere rechtspersonen die aanzetten tot seksueel geweld tegen kinderen te verbieden dan wel hun activiteiten te beperken of te doen stoppen? Acht u deze wettelijke bepalingen adequaat? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde wordt op grond van art. 2:20, eerste lid, BW door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie verboden verklaard en ontbonden. Een rechtspersoon waarvan het doel in strijd is met de openbare orde, wordt op grond van art. 2:20, tweede lid, BW, door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie ontbonden. Deelneming aan de voortzetting van de activiteiten van een organisatie die bij onherroepelijke rechterlijke beslissing verboden is verklaard is strafbaar op grond van artikel 140, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast is het mogelijk om zowel de natuurlijke personen als de rechtspersoon civielrechtelijk aansprakelijk te stellen op grond van een onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, danwel in voorkomende gevallen op grond van een onrechtmatige daad bij de rechter een verbod op het verrichten van bepaalde gedragingen te vorderen.

Voor zover een dergelijke rechtspersoon het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven is er sprake van een criminele organisatie en kunnen de leden daarvan strafrechtelijk worden vervolgd op grond van artikel 140 Wetboek van Strafrecht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van een rechtspersoon kan in geval van het aanzetten tot seksueel geweld tegen kinderen onder omstandigheden ook worden aangenomen op grond van strafbare deelneming van de rechtspersoon aan strafbare feiten, zoals medeplegen en uitlokking (art. 47 Wetboek van Strafrecht) en medeplichtigheid (art. 48 Wetboek van Strafrecht) aan seksuele misdrijven.

Ik acht de hierboven beschreven bepalingen vooralsnog adequaat en heb het Openbaar Ministerie verzocht om mij te informeren over de uitkomst van het in antwoord bedoelde onderzoek.


XNoot
1

Algemeen Dagblad, 25 mei 2010.