Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-20101849

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1849

Vragen van het lid Bashir (SP) aan de staatssecretaris van Financiën over onduidelijkheid rondom het recht op dertig jaar hypotheekrenteaftrek. (Ingezonden 19 januari 2010)

1

Kent u het artikel «Zestig jaar renteaftrek!»?1 Wat is uw reactie op het artikel? Kunt u daarbij ook ingaan op de in het artikel gegeven voorbeelden?

2

Hoe moet het wetsartikel over aftrekbare kosten eigen woning (artikel 3.120, Wet inkomstenbelasting 2001) gezien worden wat betreft de periode van de aftrekbaarheid van de rente over de hypotheekschuld? Heeft een ieder afzonderlijk, ongeacht of hij/zij samenwoont of gehuwd is recht op dertig jaar hypotheekrenteaftrek of worden fiscale partners of gehuwden die renteaftrek genieten geacht gezamenlijk dertig jaar renteaftrek te hebben?

3

Hoe moet het genoemde wetsartikel gelezen worden indien een gehuwd stel vijftien jaar na 1 januari 2001 uit elkaar gaat terwijl alleen de man tot dan toe de rente afgetrokken heeft? Heeft de vrouw dan nog steeds dertig jaar renteaftrek of wordt zij ook geacht indirect renteaftrek genoten te hebben?

4

Hoe moet het genoemde wetsartikel gelezen worden indien een stel vijftien jaar na 1 januari 2001 een fiscaal partnerschap aangaat dan wel gaat trouwen, terwijl de man in die periode al gebruik heeft gemaakt van hypotheekrenteaftrek en de vrouw dat nog niet gedaan heeft gedaan? Heeft dit stel nog recht op vijftien jaar hypotheekrenteaftrek of dertig jaar hypotheekrenteaftrek of het gemiddelde hiervan?

Antwoord

Antwoord van minister De Jager (Financiën) (ontvangen 10 maart 2010)

1 en 2

Het bedoelde artikel is mij bekend. In reactie daarop geef ik hierna aan hoe de 30 jaarsperiode van renteaftrek in artikel 3.120 van de Wet IB 2001 binnen de huidige wetsystematiek moet worden toegepast. De 30 jaarstermijn is opgenomen binnen de eigenwoningregeling. Binnen die regeling is de aanwezigheid van een eigenwoningschuld (EWS) in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 bepalend voor het recht op renteaftrek. In het verlengde daarvan is de renteaftrekbeperkende 30 jaarstermijn ook afhankelijk van de aanwezigheid van een EWS. Indien een belastingplichtige een EWS heeft, dan loopt bij hem de 30 jaarstermijn. De vaststelling van de aanwezigheid (en hoogte) van een EWS en van de in verband met die EWS in aanmerking te nemen aftrekbare kosten gebeurt op het niveau van een individuele belastingplichtige.

De toerekening van inkomensbestanddelen tussen partners heeft, anders dan bij de totstandkoming van de Wet IB 2001 is betoogd1, geen gevolgen voor de 30 jaarstermijn. Eerst nadat op individueel niveau, met inachtneming van de rente over de EWS, de (negatieve) belastbare inkomsten uit eigen woning zijn bepaald, komt de toerekening van deze inkomsten tussen partners aan de orde (artikel 2.17 Wet IB 2001). Wanneer partners per jaar afwisselend de belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking nemen, leidt dit dus niet tot 60 jaar renteaftrek. Voor beide partners start de termijn bij aankoop van de woning en het aangaan van de EWS en eindigt 30 jaar later. Voor aankoop van de woning van de partner geldt overigens ook de aftrekbeperking van artikel 3.120, vierde lid, onderdeel c, Wet IB 2001.

3

Zoals hiervoor is aangegeven is het recht op renteaftrek binnen de eigenwoningregeling bepalend voor de 30 jaarstermijn. Hoe dit recht vervolgens via de toerekeningsregels geëffectueerd wordt, is daarbij niet relevant. Met betrekking tot een EWS kan maximaal 30 jaar renteaftrek worden verkregen. In het gegeven voorbeeld gaat het om een gehuwd stel dat kennelijk gezamenlijk een eigen woning en EWS heeft. In die situatie geldt voor beide partners dat zij gedurende het huwelijk recht hadden op renteaftrek binnen de eigenwoningregeling. Voor beide partners is op 1 januari 2016 van de 30 jaarstermijn een periode van 15 jaar verstreken. Voor zowel de vrouw als de man resteert nog 15 jaar renteaftrek.

4

In het gegeven voorbeeld is het ervan afhankelijk bij wie er in de periode tot 1 januari 2016 sprake was van een EWS. Als men in die periode samenwoonde en gezamenlijk een EWS had en daar door de wijziging per 1 januari 2016 geen verandering in komt, is het aangaan van het fiscaal partnerschap of het huwelijk niet relevant. Voor beide personen is op 1 januari 2016 van de 30 jaarstermijn een periode van 15 jaar verstreken. Als de wijziging per 2016 met zich meebrengt dat er bij een of beide partners een EWS ontstaat of niet langer aanwezig is, is dat wel bepalend voor de 30 jaarstermijn. Zoals aangegeven is de aanwezigheid van een EWS immers bepalend voor het lopen van de 30 jaarstermijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat indien de renteaftrek van bijvoorbeeld de man vervalt vanwege het verstrijken van de 30 jaarstermijn, de vrouw de niet-aftrekbare rente van de man niet via de toerekeningsregels alsnog in de aftreksfeer kan brengen


XNoot
1

 EIX.nl, 15 januari 2010 http://www.iex.nl/columns/columns_artikel.asp?colid=51243

XNoot
1

Eerste Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, blz. 50 e.v.