Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
1614
Vragen van het lid Vermeij (PvdA) aan de minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid over mogelijke ontslagroutes in Nederland. (Ingezonden 28 januari 2010)
1
Hoe beoordeelt u de in dit bericht genoemde omzeiling van de Wet Melding
Collectief Ontslag, waarbij personeel via een sterfhuisconstructie eenvoudiger
kan worden ontslagen? Dat het een juridische mogelijkheid is, is evident maar
acht u deze mogelijkheid wenselijk?1
2
Deelt u de mening dat dit niet de enige mogelijkheid is om een personeelsbestand
sneller af te slanken dan wenselijk? Zo nee, waarom niet?
3
Deelt u de mening dat dit bericht een voorbeeld geeft van de in Nederland
mogelijke «alternatieve» ontslagroutes, zoals dit middels Kamervragen
van 27 november jongstleden2 reeds aan de orde is gesteld?
Zo ja, bent u dan alsnog bereid de Kamer een overzicht van de alternatieven
op korte termijn te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen ter zake van het lid
Bosma (PVV), ingezonden 28 januari 2010 (vraagnummer 2010Z01676).
Antwoord
Antwoord van minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 15 februari 2010)
1
Het komt regelmatig voor – zeker in deze tijd – dat bedrijven
failliet gaan. Of daarbij sprake is van fraude, zoals in het artikel wordt
gesuggereerd, is moeilijk aan te tonen zoals in hetzelfde artikel ook wordt
gesteld. Als werknemers worden ontslagen als gevolg van faillissement dan
verloopt een dergelijk ontslag niet via UWV. In verband met het spoedeisende
karakter van het ontslag bij faillissement, is toestemming van UWV niet vereist.
Wel geldt, ook in geval van faillissement, dat de werkgever het voorgenomen
ontslag op grond van de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO) moet melden
aan de belanghebbende verenigingen van werknemers als het ontslag twintig
of meer werknemers betreft. In die zin kan een dergelijke constructie, mocht
daar sprake van zijn, niet leiden tot een omzeiling van de regels die gelden
op grond van die wet.
In het artikel wordt ook een voorbeeld genoemd waarin sprake zou zijn
van het plaatsen van werknemers in een aparte BV, en het vragen van een ontslagvergunning
vanwege het ontbreken van voldoende werk voor de werknemers in de betreffende
BV, met als uitsluitend doel deze werknemers makkelijker te kunnen ontslaan
(het betreft hier dus niet een situatie waarin sprake is van faillissement).
Navraag bij UWV heeft geleerd dat de betreffende BV reeds in 1999 is opgericht.
Er kan dan ook moeilijk worden gesproken van het oprichten van een aparte
BV met als vooropgesteld doel werknemers makkelijker te kunnen ontslaan. Overigens
geldt dat als uit verweren van werknemers blijkt, dat er wel sprake is van
de oprichting van een aparte BV met het veronderstelde doel om werknemers
makkelijker te kunnen ontslaan, of van het plaatsen van werknemers in een
al langer bestaande aparte BV direct voorafgaande aan het vragen van een ontslagvergunning,
UWV bij de toepassing van de regels betreffende de ontslagkeuze hiermee rekening
houdt. Dat wil zeggen, niet zal uitgaan van alleen het personeel in de betreffende
BV maar van het totale personeelsbestand.
2
Naar wordt aangenomen wordt gedoeld op de mogelijkheid de arbeidsovereenkomst
met wederzijds goedvinden te beëindigen. Daarover het volgende. Op grond
van de Wet melding collectief ontslag dient een werkgever bij een voorgenomen
ontslag van 20 of meer werknemers via het UWV of de kantonrechter hiervan
melding te doen aan de belanghebbende vakbonden. Dat is niet het geval als
de werkgever tot beëindiging van arbeidsovereenkomsten wil overgaan door
het sluiten van een beëindigingsovereenkomst (beëindiging met wederzijds
goedvinden). Bij brief van 9 december 2009 (Kamerstukken II, 2009–2010,
nr. 944) heb ik een aantal vragen van het lid Vermeij beantwoord over de mogelijke
omzeiling van ontslagregels die in acht genomen moeten worden bij een voorgenomen
collectief ontslag. Uit de hiervoor genoemde vragen bleek dat de reden voor
het stellen daarvan was, dat het vermoeden bestond dat werkgevers door het
sluiten van beëindigingsovereenkomsten de regels die gelden bij een collectief
ontslag bewust zouden willen ontduiken. Zoals in de beantwoording aangegeven,
lijkt daar geen sprake van te zijn en is in die zin er ook geen aanleiding
om te komen tot aanpassing van de regels.
Dat neemt niet weg dat het gebruik van deze ontslagroute (naast bij ontslag
om persoonlijke redenen) ook in geval van ontslag om bedrijfseconomische redenen
toeneemt, zo is mij onlangs ook uit gesprekken met belanghebbenden gebleken.
Deze toename is het gevolg van de wijziging van de Werkloosheidswet per 1
oktober 2006 (beperking verwijtbaarheidstoets WW). De (beoogde) gevolgen daarvan
manifesteren zich thans duidelijker dan voor de crisis het geval was. Op grond
van die wijziging van de WW worden werknemers niet langer verplicht pro forma
bezwaar te maken tegen ontslag teneinde hun aanspraak op WW uitkering veilig
te stellen (een dergelijk bezwaar leidt ertoe dat een werkgever een voorgenomen
ontslag alleen kan realiseren via UWV of kantonrechter), zodat onnodige ontslagprocedures
bij UWV of kantonrechter worden voorkomen als werknemers kunnen instemmen
met het aangezegde ontslag.
Het ligt dan ook in de rede de WMCO zodanig aan te passen dat de vraag
of een melding moet plaatsvinden los zal komen te staan van de route (UWV,
kantonrechter of beëindiging met wederzijds goedvinden) die de werkgever
wil gaan volgen. Daarmee wordt recht gedaan aan het doel van deze wet, namelijk
tijdige inschakeling van de belanghebbende verenigingen van werknemers bij
een voorgenomen collectief ontslag, teneinde met hen in overleg te treden
over een dergelijk voornemen en de gevolgen daarvan voor werknemers. Voor
deze – feitelijk technische wijziging van de wet – heb ik inmiddels
opdracht gegeven een wetsvoorstel voor te bereiden.
3
Uit de beantwoording van de voorgaande vragen en van de eerder gestelde
vragen waar naar wordt verwezen, blijkt dat de «alternatieve»
ontslagroutes minder alternatief zijn dan wordt verondersteld. Voorts wordt
met de aangekondigde wijziging van de WMCO de route «beëindiging
met wederzijds goedvinden» onderhevig aan de verplichting tot melding
als bedoeld in die wet.
XNoot
1 De Limburger, 25 januari 2010 http://www.limburger.nl/article/20100125/ANPNIEUWS01/100129761
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 1013.