Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
3694
Vragen van het lid De Pater-van der Meer (CDA) aan de
minister van Justitie over het opstappen van de directeur van Wereldkinderen. (Ingezonden 20 augustus 2009)
1
Wilt u in een brief vóór 1 september 2009, dat wil zeggen
vóór het einde van het zomerreces, uw reactie op de gang van
zaken, zoals in de uitzending van Netwerk1 naar voren gebracht,
geven?
2
Kunt u in de verzochte brief in het bijzonder ingaan op de uitspraken
over uw ambtenaren die de directeur van Wereldkinderen na een adoptiehoudersoverleg
apart zouden hebben genomen en haar verzocht zouden hebben te stoppen met
onderzoek naar de misstanden rondom adoptie in China nu het de relatie met
China zou beschadigen?
3
Hoe verhouden de (handels)belangen van Nederland en de belangen van adoptiekinderen
zich volgens u tot elkaar?
4
Wat is uw reactie op de uitspraak dat uw ministerie gedreigd heeft de
vergunning van Wereldkinderen in te trekken als het onderzoek zou worden doorgezet?
5
Wat betekent de huidige situatie voor de lopende adoptieprocedures vanuit
China via Wereldkinderen?
6
Zijn er andere vergunninghouders die adoptiecontacten in China hebben?
Hebben de aantijgingen van Wereldkinderen mogelijk ook voor hen gevolgen?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen ter zake van het lid
Langkamp (SP), ingezonden 20 augustus 2009 (vraagnummer 2009Z14923).
Antwoord
Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie) (ontvangen 2 september 2009)
1
Ja, door middel van deze antwoorden op vragen van het lid De Pater-van
der Meer (CDA) en mijn brief van gelijke datum, waarbij ik de antwoorden aan
de Kamer doe toekomen op vragen van het lid Langkamp (SP), geef ik u mijn
reactie op de gang van zaken, zoals in de uitzending van Netwerk naar voren
gebracht.
2 en 4
Op 4 september 2008 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden op het Ministerie
van Justitie met de Nederlandse adoptieorganisaties die werkzaam zijn in China.
Hierbij is gesproken over de uitkomsten van het werkbezoek dat een ambtelijke
delegatie begin mei 2008 aan China bracht. Daarnaast is gesproken over de
uitkomsten van het gesprek dat de Nederlandse ambassade in augustus 2008 met
Chinese Centrale autoriteit voor adoptie (CCAA) had over enkele nog openstaande
vragen naar aanleiding van het werkbezoek. Na afloop van deze bijeenkomst
is door twee ambtenaren van Justitie met mevrouw Hut gesproken naar aanleiding
van de gedachte van Vereniging Wereldkinderen om een undercoveronderzoek uit
te voeren in China. Ook in een eerder gesprek is door ambtenaren van Justitie
met mevrouw Hut gesproken over vermeende misstanden in China. Daarbij was
door mevrouw Hut voor het eerst de mogelijkheid geopperd om vanuit Wereldkinderen
een undercoveroperatie in China te entameren. In beide gesprekken hebben de
ambtenaren van Justitie aangegeven dat het niet acceptabel is dat een vergunninghouder
waarmee het Ministerie een rechtstreekse, officiële samenwerkingsrelatie
onderhoudt, een dergelijke undercoveroperatie verricht. In een brief van 14
juli 2009 heeft mijn Ministerie nog aan Vereniging Wereldkinderen benadrukt
dat het doen van een eigen onderzoek niet verboden kan worden.
Ik acht het van belang te benadrukken dat het gebruik is dat Nederland
landen waarmee een verdragsrelatie bestaat, aanspreekt in het internationale
verkeer. Een undercoveronderzoek verdraagt zich daar niet mee. Zo’n
onderzoek zou onbedoelde en ongewenste gevolgen kunnen hebben voor de samenwerking
met China, in de eerste plaats op het terrein van adoptie, maar ook ten aanzien
van andere betrekkingen. Het verrichten van undercoveronderzoek door een vergunninghouder
kan uiteindelijk aanleiding geven tot het intrekken van een vergunning op
grond van artikel 18, juncto artikel 16 van de Wet opneming buitenlandse kinderen
ter adoptie (Wobka). Om deze reden is mevrouw Hut dringend in overweging gegeven
om af te zien van enigerlei betrokkenheid bij een dergelijke undercoveroperatie.
In reactie op de gesprekken heeft mevrouw Hut de betrokken ambtenaren
hartelijk bedankt voor het openhartige gesprek. Tevens heeft zij aangegeven
dat zij, in principe, de mening van Justitie deelt dat de Vereniging Wereldkinderen
als vergunninghouder niet de geëigende instantie is om diepgaand onderzoek
uit te voeren. Om deze reden heeft zij, na overleg met de andere Nederlandse
adoptieorganisaties, besloten vooralsnog het eigen onderzoek op te schorten.
Wel heeft mevrouw Hut aangegeven dat wanneer Justitie of andere instanties
niet ver genoeg (kunnen) gaan in hun onderzoek doordat zij bijvoorbeeld diplomatiek
begrensd zijn, of wanneer de Vereniging Wereldkinderen niet voldoende overtuigd
is van de inhoud en conclusies van het onderzoek, de Vereniging Wereldkinderen
een morele plicht voelt om zelf een en ander te initiëren. Uiteraard
met inachtneming van de relatie China-Nederland en bij voorkeur in nauw overleg
dan wel in samenwerking met het Ministerie van Justitie en de ambassade in
het betreffende land.
Dit besluit was vooral gebaseerd op het gesprek op 4 september 2008 met
de ambtenaren van Justitie en de toezegging van de kant van Justitie dat in
de brief aan de Tweede Kamer over interlandelijke adoptie uit China meer tegemoetgekomen
zou worden aan de bezwaren van Vereniging Wereldkinderen. In vervolg hierop
heeft mevrouw Hut de twee andere adoptieorganisaties Stichting Kind en Toekomst
en Meiling geïnformeerd over het opschorten van het geplande onderzoek.
Op 10 september 2008 is de brief (Tweede Kamer 2007–2008, 31 265,
nr 9) over interlandelijke adoptie uit China aan uw Kamer gezonden.
Inmiddels heeft naar aanleiding van de uitspraken van mevrouw Hut in de
uitzending van Netwerk van 18 augustus 2009 een gesprek plaatsgevonden tussen
ambtenaren van het Ministerie van Justitie en mevrouw Hut met haar (tijdelijke)
opvolger waarbij door beide partijen is aangegeven dat de bestaande samenwerking
wordt gecontinueerd met het oog op een constructieve dialoog.
3
Ik zie geen verband tussen handelsbelangen en die van adoptiekinderen.
Bij interlandelijke adoptie hoort immers het belang van het kind voorop te
staan, hetgeen een integere en transparante werkwijze vereist. Indien er sprake
zou zijn van structurele tekortkomingen in dit verband, dan kan de vraag zich
voordoen of er aanleiding is de bestaande adoptierelatie met het desbetreffende
land nader te bezien.
5 en 6
Naast Vereniging Wereldkinderen zijn Stichting Meiling en Stichting Kind
en Toekomst werkzaam in China voor de bemiddeling bij de plaatsing ter adoptie
van kinderen. Uit navraag bij de genoemde vergunninghouders is niet gebleken
dat de aantijgingen van Wereldkinderen gevolgen hebben voor de contacten en
lopende adoptieprocedures uit China.
XNoot
1 Netwerk, 18 augustus 2009.