Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-20093692

Vragen gesteld door de leden der Kamer

2009Z14075

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister voor Jeugd en Gezin over kwantificering van zorgkosten. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de aan Jeugd en Gezin gerelateerde kosten toeziet op (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking, de leeftijdsopbouw van deze groep, het aantal kinderen en de specifieke problemen die deze groep kent t.a.v. opvoeding, kindersterfte e.d?

2

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het bovenstaande?

3

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van Jeugd en Gezin?

4

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognotiseerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

5

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen, wat is hier van dan de reden? Kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over kosten, die voortvloeien uit de aanwezigheid van (niet-westerse) allochtonen in Nederland. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de inzet van de politie, en andere BZK-gerelateerde onderdelen als de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), wordt aangewend voor (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in criminaliteit en overlast e.d.?

2

Kunt u aangeven wat de weerslag hiervan is in de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen worden gemaakt?

3

Kunt u aangeven welk deel van de inzet van de overige BZK-programma’s, zoals diversiteit en arbeidsmarktgerelateerde programma’s, wordt aangewend voor (niet-westerse) allochtonen?

4

Kunt u aangeven welke kosten hiermee gemoeid zijn?

5

Kunt u aangeven welke omvang het provinciefonds heeft, en welk deel hiervan geoormerkt is voor beleid ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen, en welk deel hiervan daadwerkelijk besteed wordt voor beleid(-sprogramma’s) gericht op (niet-westerse) allochtonen?

6

Kunt u aangeven welke omvang het gemeentefonds heeft, en welk deel hiervan geoormerkt is voor beleid ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen, en welk deel hiervan daadwerkelijk besteed wordt voor beleid(-sprogramma’s) gericht op (niet-westerse) allochtonen?

7

Kunt u voorts aangeven in welke mate het werk van (lokaal) bestuur / gemeenten / gemeentelijke basisadministraties toeziet op (niet-westerse) allochtonen en hoe dit zich vertaalt in kosten die voor deze groep worden gemaakt?

8

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van BZK?

9

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in criminaliteit en overlast e.d.?

10

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar, en (geprognotiseerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

11

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over kwantificering van zorgkosten. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van alle kosten op het gebied van zorg, welzijn en sport wordt aangewend voor (niet-westerse) allochtonen, mede gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking, het relatief zware beroep dat deze groep doet op zorg en welzijn (wat zich vertaalt in zaken als frequent huisartsenbezoek), en het vaker voorkomen van bepaalde aandoeningen bij deze groep (bijvoorbeeld met het oog op geboorten uit neef/nichthuwelijken)?

2

Welk deel van de geprognosticeerde premieinkomsten zijn niet behaald in verband met wanbetaling door (niet-westerse) allochtonen?

3

Wat zijn de financiële gevolgen van de speciaal op allochtonen gerichte beleidsprogramma’s?

4

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

5

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het bovenstaande?

6

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

7

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen, wat is hier van dan de reden? Kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister van Economische Zaken over EZ-gerelateerde kosten van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de EZ-gerelateerde kosten toeziet op (niet-westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking en eventuele relevante karakteristieken van deze groep?

2

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van EZ?

3

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van bovenstaande?

4

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

5

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Justitie over kosten van (niet-westerse) allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Welk deel van de volgende zaken wordt aangewend voor (niet-westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in justitiegerelateerde categorieën rechtspleging, rechtsbijstand, rechtshandhaving, criminaliteits- en terrorismebestrijding en overige zaken vallend onder de justitiebegroting?

2

Wat is de weerslag hiervan in de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen worden gemaakt?

3

In welke mate ziet het werk van justitiegerelateerde diensten, met name maar niet beperkt tot de Dienst Justitiële Inrichtingen, toe op (niet-westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in justitiegerelateerde categorieën?

4

Wat is de weerslag hiervan in de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen worden gemaakt?

5

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert ten aanzien van bijvoorbeeld legesbetalingen aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?

6

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in justitiegerelateerde categorieën?

7

Kunt u de kosten uitsplitsen naar dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

8

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen, wat is hier de reden van? Kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Financiën over kosten en opbrengsten in de belastingsfeer van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven hoeveel belastinggeld wordt opgebracht door (niet-westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking, de relatief lage arbeidsparticipatie van deze groep en de relatief slechte inkomenspositie van deze groep?

2

Hoe verhouden deze opbrengsten zich tot de gemiddelde belastingopbrengst?

3

Welke andere opbrengsten binnen het terrein van Financiën worden door bedoelde groep opgebracht?

4

Kunt u aangeven wat het bedrag aan toeslagen is dat (door de Belastingdienst) aan (niet-westerse) allochtonen wordt uitbetaald gelet op de hierboven genoemde zaken?

5

Kunt u aangeven welke inkomsten als BTW en eventuele andere heffingen de Nederlandse staat misloopt door export van pensioenuitkeringen, sociale uitkeringen en persoonlijk kapitaal voor c.q. van (niet-westerse) allochtonen?

6

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van (niet-westerse) allochtonen in de bevolking en de arbeidsparticipatie / inkomenspositie van deze groep?

7

Kunt u de genoemde opbrengsten / kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognotiseerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

8

Indien de hier gevraagde kosten / opbrengsten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over kosten van OCW-voorzieningen voor allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van al het onderwijs wordt aangewend voor (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de (jeugdige) bevolking van ons land, en hoe deze groep is verdeeld over de diverse onderwijstypen?

2

Kunt u aangeven wat de weerslag hiervan is in de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet westerse) allochtonen worden gemaakt?

3

In welke mate worden extra kosten voor allochtone leerlingen gemaakt in de sfeer van bijvoorbeeld het tegengaan van spijbelen en schooluitval (gelet op oververtegenwoordiging hierin van allochtone leerlingen) en hoe hoog zijn deze kosten?

4

In welke mate worden kosten op het gebied van cultuur, media, kinderopvang en emancipatie gemaakt voor (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking en de specifieke karakteristieken die deze groep kent ten aanzien van bijvoorbeeld emancipatie?

5

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van OCW?

6

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking en de oververtegenwoordiging van deze groep in zaken als schooluitval?

7

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

8

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie over aan WWI gerelateerde kosten van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van alle aan Wonen, Wijken en Integratie gerelateerde kosten toe zijn te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen? Hoe verhouden deze kosten zich tot de relatieve omvang van deze groep in de bevolking? Welke rol spelen de leeftijdsopbouw van deze groep en andere relevante zaken als het relatief zware beroep op sociale woningbouw en oververtegenwoordiging van de groep in probleemwijken waar veel geld naartoe gaat in de aan WWI gerelateerde kosten die toe zijn te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen?

2

Kunt u aangeven welke waardestijging de woningvoorraad in Nederland heeft doorgemaakt door verdere verkrapping van het aanbod vanwege het huisvesten van (niet westerse) allochtonen?

3

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van WWI?

4

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van bovenstaande?

5

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen vijf jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende vijf jaar?

6

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over aan allochtonen toe te rekenen kosten. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de aan Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer-gerelateerde kosten toe zijn te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen? Hoe verhouden deze kosten zich tot de relatieve omvang van deze groep in de bevolking?

2

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van VROM?

3

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van bovenstaande?

4

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

5

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister van Verkeer en Waterstaat over aan Verkeer en Waterstaat gerelateerde kosten van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de aan Verkeer en Waterstaat gerelateerde kosten toe zijn te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen? Hoe verhouden deze kosten zicht tot de relatieve omvang van deze groep?

2

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van Verkeer en Waterstaat?

3

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het bovenstaande?

4

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

5

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen: wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over kosten gerelateerd aan de sociale zekerheid van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van alle voorzieningen (als bijstand en remigratieuitkeringen), volksverzekeringen en werknemersverzekeringen aangewend wordt voor (niet westerse) allochtonen, gelet op het aandeel van deze groep in de bevolking, de oververtegenwoordiging van deze groep in bijvoorbeeld de bijstand, de gezinssamenstelling en leeftijdsopbouw van deze groep (die van invloed is op bijvoorbeeld de kinderbijslag)?

2

Kunt u aangeven wat de weerslag hiervan is op de kosten die hierdoor ten aanzien van (niet westerse) allochtonen worden gemaakt, inclusief uitvoeringskosten van bijvoorbeeld UWV?

3

Wat is het totaal van de overige SZW-gerelateerde kosten die, gelet op eerdergenoemde factoren, voor (niet westerse) allochtonen worden gemaakt?

4

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van SZW?

5

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van het aandeel van niet-westerse allochtonen in de bevolking, de oververtegenwoordiging van deze groep in bijvoorbeeld de bijstand, de gezinssamenstelling en leeftijdsopbouw van deze groep?

6

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

7

Indien de hier gevraagde kosten niet exact zijn vast te stellen, wat is hier de reden van en kunt u in ieder geval een reële schatting maken? Zo neen, waarom niet?

Vragen van het lid Fritsma (PVV) aan de minister en de staatssecretaris van Defensie over aan Defensie gerelateerde kosten van allochtonen. (Ingezonden 17 juli 2009)

1

Kunt u aangeven welk deel van de Defensie-gerelateerde kosten te maken heeft met de inzet van de Kmar bij bijvoorbeeld uitzettingen van vreemdelingen en andere met (niet-westerse) allochtonen gemoeide activiteiten?

2

Hoe verhouden bedoelde kosten zich tot de opbrengsten die bedoelde groep oplevert op het terrein van Defensie?

3

Welke gegevens heeft u betrokken bij de bepaling van bovenstaande?

4

Kunt u de kosten uitsplitsen naar: dit jaar, de afgelopen 5 jaar en (geprognosticeerd) het komende jaar en de komende 5 jaar?

Antwoord van de ministers Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie), Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en Hirsch Ballin (Justitie), mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Verkeer en Waterstaat, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, voor Jeugd en Gezin, voor Wonen, Wijken en Integratie en de staatssecretarissen van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Financiën, van Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 8 september 2009) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nrs. 3434 t/m 3445 en nrs. 3634 t/m 3645

Bijgaand doen wij u, mede namens de andere betrokken bewindslieden, de antwoorden toekomen op de vragen van het lid van uw Kamer de heer Fritsma (PVV) over de kosten en opbrengsten die voortvloeien uit de aanwezigheid van (niet-westerse) allochtonen in Nederland. Ter inleiding op de departementale antwoorden merken wij het volgende op.

De kracht van Nederland schuilt in een open economie en een open samenleving. Het kabinetsbeleid is erop gericht het goede van die open samenleving te behouden, terwijl het misstanden, misbruik en achterstanden bestrijdt. Allochtonen, westerse en niet-westerse, zijn leden van onze samenleving. Hun aanwezigheid laat zich niet reduceren tot een simpele optel- en aftreksom langs de meetlat van de euro. Net zoals dat niet gebeurt voor de kosten en opbrengsten van autochtonen, gehandicapten, 65+ers of welke categorie burgers dan ook. Wij evalueren geen burgers, maar wel beleid. De beantwoording van de vragen richt zich daarom op de kosten en opbrengsten van het beleid. Daarover kan en wil het kabinet graag verantwoording afleggen.

Het begrip allochtoon – een inwoner van Nederland van wie tenminste één ouder in het buitenland is geboren – heeft betrekking op de herkomst van mensen. Herkomst is een persoonsgegeven dat, ingevolge de beginselen van de rechtsstaat, niet relevant is voor de meeste beleidsterreinen. De regering houdt, als gezegd, geen boekhouding bij van de kosten en opbrengsten van groepen mensen in de samenleving. Onderscheid naar herkomst wordt alleen gemaakt als dat noodzakelijk is met het oog op het monitoren van de achterstandspositie van bepaalde groepen. Zoals uit de antwoorden blijkt, kan daarom op de meeste beleidsterreinen geen antwoord worden gegeven met betrekking tot de specifieke kosten en opbrengsten van (niet-westerse) allochtonen.

In de departementale antwoorden wordt de rijksbegroting als leidraad gehanteerd. In de rijksbegroting worden de gegevens gepresenteerd die in het kader van de beleidsdoelstellingen relevant zijn. De uitgaven aan beleid dat zich specifiek richt op allochtonen kunnen daaruit worden afgeleid, zoals bij het integratie- en inburgeringsbeleid. Op andere beleidsterreinen is dat niet zo. Dit geldt in vergelijkbare mate voor de inkomstenkant als het gaat om bijvoorbeeld inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en BTW. Tegenover een aantal zichtbare uitgaven aan beleid kunnen dus geen inkomsten worden geplaatst.

De vragen van de heer Fritsma hebben betrekking op de periode 2004–2014. De kosten en opbrengsten van beleid kunnen echter alleen in samenhang in beeld worden gebracht als wordt uitgegaan van een langetermijn-(levensloop)perspectief. Voor veel beleid gaat de kost voor de baat uit. Een voorbeeld hiervan is het beleid gericht op inburgering en het inlopen van achterstanden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. De opbrengsten hiervan, door stijging van het opleidingsniveau, toename van de participatie in de samenleving, betere opvoeding van kinderen en een grotere kans op werk, zijn reëel, maar moeilijk te kwantificeren.

Het totaal aan beschikbare cijfers uit de rijksbegroting is kortom ongelijksoortig van aard en niet onderling vergelijkbaar. Pogingen tot toerekening of schatting kennen dus nadrukkelijk hun beperkingen.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kosten, die voortvloeien uit de aanwezigheid van (niet-westerse) allochtonen in Nederland (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14076)

1 en 2

Voor een goede uitvoering van de wettelijke taken van de politie is het bijhouden van de politie-inzet per bevolkingsgroep geen vereiste. Dit wordt dan ook niet gedaan. Gegevens over dit jaar, de afgelopen vijf jaar en geprognosticeerd het komende jaar en de komende vijf jaar aangaande het aandeel en de kosten van de inzet van politie ten aanzien van (niet-westerse) allochtonen zijn niet voorhanden.

Uit openbare CBS-cijfers (www.cbs.nl, Dossier Allochtonen, Bevolking (algemeen), Bevolking (trend) en thema Veiligheid en Recht, Verdachten naar herkomst) over de samenstelling van de bevolking en de criminaliteit blijkt een oververtegenwoordiging van (niet-westerse) allochtonen in de verdachtenpopulatie. Hieruit kan afgeleid worden dat de politie voor een deel van haar activiteiten relatief meer capaciteit kwijt is aan (niet-westerse) allochtonen dan aan autochtonen.

De AIVD doet onderzoek dat noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen autochtoon en allochtoon. De (financiële) administratie is daarop niet ingericht en de gevraagde informatie is derhalve niet beschikbaar.

3

Het kabinet streeft naar meer diversiteit in het personeelsbestand van de publieke sector qua leeftijd, geslacht en etniciteit. Onder andere moet het aandeel allochtonen in vier jaar tijd bij de overheidssectoren zijn toegenomen met 50 procent, van 5,6% in 2007 naar 8,4% in 2011. In juni 2009 (TK 2008–2009, 31 701, nr. 20) is dan ook ter uitvoering van de motie Heijnen (TK 2008–2009, 31 700 VII, nr. 29) de Tweede Kamer geïnformeerd over (aanvullende) maatregelen om meer allochtonen in dienst te nemen en te houden teneinde de kabinetsdoelstelling te halen.

In onderstaande tabel staan de middelen die voor het bevorderen van diversiteitbeleid van de hele publieke sector door BZK beschikbaar worden gesteld (vrouwen, allochtonen, ouderen). Daarnaast heeft BZK voor de sector Rijk in algemene zin (plm. 400.000 euro in 2009) en ABD specifiek middelen gereserveerd om onder andere diversiteit in brede zin te bevorderen. Het Rijk streeft naar een evenwichtige samenstelling van zijn personeelsbestand wat betreft leeftijd, geslacht en culturele achtergrond. De inzet van middelen voor het diversiteitbeleid richt zich in het bijzonder op het ondersteunen van managers en HR-adviseurs bij het werken aan die doelstelling. Ook wordt een deel van deze middelen ingezet voor specifieke aandacht voor het vergroten van (culturele) diversiteit bij de werving van de sector Rijk en wordt geïnvesteerd in het bevorderen van diversiteit binnen de sectoren gemeenten, provincies en waterschappen. De uitgaven aan diversiteit zijn niet uit te splitsen voor wat betreft (niet-westerse) allochtonen.

Omschrijving200920102011
Publieke sector2,4 mln2,4 mln2,4 mln

Ook de afspraken die over diversiteit bij de politie zijn gemaakt zijn gericht op meerdere doelgroepen. Op vrouwen en allochtonen, omdat beide groepen een kwantitatieve achterstand hebben in het personeelsbestand van de politie. De uitgaven aan en de inzet voor diversiteit zijn niet uit te splitsen voor wat betreft (niet-westerse) allochtonen.

Naast de middelen die door het ministerie van BZK beschikbaar worden gesteld, hebben de politiekorpsen een eigen verantwoordelijkheid – en daarbij horende financiën – voor het behalen van de diversiteitdoelstellingen. In onderstaande tabel staan de middelen die voor het totale diversiteitbeleid (vrouwen en allochtonen) van de politie door BZK beschikbaar worden gesteld.

Meerjaren begroting diversiteit politie (x € 1 mln.)

Omschrijving20082009201020112012
Politietop Divers4,85,15,60,8
Prestatiebekostiging diversiteit/Taskforce2,62,62,62,62,6
LECD1,31,7n.n.b.1n.n.b.n.n.b.
Totaal8,79,48,23,42,6

4

Zie antwoord op vraag 3.

5

Het provinciefonds kent geen verdeelmaatstaf (niet-westerse) allochtonen, noch iets vergelijkbaars. Uit de begrotingen en rekeningen van provincies is het niet mogelijk gegevens te halen die betrekking hebben op (niet-westerse) allochtonen.

6

In onderstaande tabel is opgenomen hoeveel middelen er via het gemeentefonds wordt verdeeld.

Omvang middelen gemeentefonds 2004–2013 exclusief WMO          
jaar2004200520062007200820092010201120122013
in miljoenen Euro’s12.01311.89413.36715.01514.73615.92516.36516.05516.03116.051

De verdeling van het geld naar gemeenten vindt plaats met behulp van verdeelmaatstaven. Daaronder bevindt zich een maatstaf «minderheden»2. Bij de verdeling van het gemeentefonds wordt de maatstaf minderheden als een relevante en te honoreren kostenfactor beschouwd. De totale post bedraagt in 2010 € 638,8 miljoen.3

Omvang middelen verdeeld met de maatstaf minderheden in het gemeentefonds 2004–2013          
jaar2004200520062007200820092010201120122013
in miljoenen Euro’s430440460500550590640640620620

Dat het aantal minderheden wordt gebruikt als verdeelmaatstaf betekent niet dat de middelen binnen het gemeentefonds geoormerkt zijn voor beleid gericht op minderheden. Hetgemeentefonds betreft algemene middelen van gemeenten. Over de omvang van de bestedingen door gemeenten aan programma’s voor(niet-westerse) allochtonen hebben wij geen informatie.

Daarnaast wordt sinds 2008 via het gemeentefonds een aantal decentralisatie uitkeringen van vakdepartementen gedaan, waarbij bepaalde groepen (waaronder (niet-westerse) allochtonen) in de verdeling een rol hebben gespeeld. BZK/Fin zijn verantwoordelijk voor de verdeling van de uitkeringen. Devakministers zijn inhoudelijk verantwoordelijk. Het gaat om de volgende (allen van tijdelijk aard zijnde) uitkeringen:

Bedragen zijn in miljoenen

Uitkering (departement)20082009201020112012
Taalcoaches (WWI)4,25,62,72,1
Vrouwen uit etnische minderheden (OCW)0,4110,5
Deltaplan inburgering/innovatietrajecten inburgering (WWI)4,51,91,41,1
Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren (WWI & JUS)613,413,413,4
Gezinsmanagers Gouda-0,3(0,3)(0,3)

7

Gemeenten hebben, als autonome bestuurslaag, zelf het beste inzicht in de inspanningen die zij verrichten in het kader van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en zij leggen daar lokaal verantwoording over af. Op voorhand valt niet te stellen dat er meer werk en/of kosten zijn verbonden aan de registratie van een allochtoon dan van een autochtoon. De tijd en kosten hangen af van veel uiteenlopende factoren zoals gezinssamenstelling, gezagsverhoudingen, verhuisbewegingen en de mate waarin uittreksels worden opgevraagd.

8

Van opbrengsten voor de begroting van BZK is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar bovenstaande antwoorden.

9

Er is gebruik gemaakt van de begroting van BZK, alsmede de CBS-cijfers, opgenomen in de beantwoording van de vragen 1 en 2.

10

Zie het antwoord op vraag 6.

11

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Defensie op vragen van het lid Fritsma (PVV) over aan Defensie gerelateerde kosten van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14089)

1

Onder de operationele doelstelling Beheersing van de vreemdelingenstroom in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving voert hetCommando Koninklijke marechaussee (CKmar) als uitvoeringsorganisatie taken uit in het taakveld Vreemdelingenwetgeving, waarbinnen het subtaakveld Verwijdering van vreemdelingen4 valt. Defensie maakt verder geen onderscheid naar herkomst. De verdeling van het budget voor het subtaakveld Verwijdering van vreemdelingen vanuit het taakveld Vreemdelingenwetgeving is als volgt.

Verdeling gelden naar taakveld CKmar 
(Bedragen x € 1 miljoen)2009
Vreemdelingenwetgeving (taakveld)152,191
waarvan 
Verwijdering van vreemdelingen (subtaakveld)10,155

Bovengenoemd bedrag voor het subtaakveld Verwijderingen van vreemdelingen betreft de personeelskosten zoals die zijn voorzien in de planning van het CKmar.

2

Van opbrengsten voor de begroting van Defensie is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar bovenstaand antwoord.

3

Bovenstaande gegevens zijn afkomstig uit de defensiebegroting 2009 en de planning voor 2009 van het CKmar.

4

Op basis van de jaarverslagen van Defensie uit de desbetreffende jaren en de defensiebegroting 2009 volgen hieronder respectievelijk de realisatiekosten en de meerjarige verdeling van het budget in het taakveld Vreemdelingenwetgeving en het subtaakveld Verwijdering van vreemdelingen.

Verdeling naar taakveld CKmar Bedragen x € 1 mln2004200520062007200820092010201120122013
Vreemdelingenwetgeving (taakveld)125,571131,129146,445150,221154,329152,191152,096149,984149,363149,743
waarvan Verwijdering van vreemdelingen (sub-taakveld)8,3798,7508,77210,02410,29810,15510,14910,0089,9669,992

Antwoorden van de minister van Economische Zaken op vragen van het lid Fritsma (PVV) over EZ-gerelateerde kosten van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14078)

1

Het Ministerie van Economische Zaken legt in zijn administratie niet vast of een subsidieontvanger (niet westerse) allochtoon is of niet. Het is derhalve niet aan te geven welk deel van de beleidsgelden van EZ terecht komt bij allochtonen of autochtonen.

Wel heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de Ministers van Justitie, OCW, SZW en VWS, VNO-NCW en MKB-Nederland in 2005 het Actieplan «Nieuw Ondernemerschap» gelanceerd. Dit actieplan, dat zich óók maar niet alleen richt op (niet-westerse) allochtonen, was gericht op het wegnemen van barrières voor etnisch, ook wel nieuw, ondernemerschap en op het vergroten van de positieve bijdrage die nieuwe ondernemers leveren aan het ondernemerslandschap in Nederland. Voor dit actieplan was in totaal bijna € 3 mln begroot, waarvan circa € 1 mln door EZ. De activiteiten in het kader van het Actieplan 2005 zijn inmiddels afgerond.

2

Aangezien er binnen het EZ-beleid – behoudens het inmiddels afgesloten incidentele actieplan «Nieuw Ondernemerschap» – geen specifiek op etnisch ondernemerschap gericht beleid wordt gevoerd, kan bovengenoemde verhouding niet worden bepaald.

3

De begroting van het ministerie van Economische Zaken.

4

Zie bovenstaande antwoorden.

5

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Financiën op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kosten en opbrengsten in de belastingsfeer van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14080)

1, 2, 4, 6, 7 en 8.

Persoonsgegevens van belastingplichtigen en toeslaggerechtigden worden door de Belastingdienst opgeslagen in het informatiesysteem Beheer van Relaties (BvR). Het vormt de centrale klantregistratie van particulieren en ondernemingen die bij de belastingheffing en de uitvoering van niet-fiscale taken (kunnen) zijn betrokken. De GBA (Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens) is voor BvR de belangrijkste bron voor de verkrijging van gegevens over natuurlijke personen. De GBA gebruikt daarvoor de zogeheten persoonslijst. Op de persoonslijst staan de geboorteplaats of nationaliteit van de ouder(s) niet vermeld.

Voor vreemdelingen5, die de Belastingdienst zelf registreert en die dus niet in de GBA zijn ingeschreven, worden geen gegevens over afkomst of nationaliteit vastgelegd in het BvR-systeem.

Gelet op het bovenstaande is het voor de Belastingdienst niet na te gaan of een belastingplichtige allochtoon is in de zin van de CBS definitie. Derhalve is het ook niet mogelijk een antwoord te geven op de vragen hoeveel belastinggeld wordt opgebracht door allochtonen of welk bedrag aan toeslagen wordt uitbetaald aan allochtonen. Verder wordt verwezen naar de begeleidende brief.

3

Het ministerie van Financiën houdt wat betreft deze vraag geen administratie bij.

5

Deze informatie wordt niet door de Belastingdienst bijgehouden.

Antwoorden van de minister voor Jeugd en Gezin op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kwantificering van zorgkosten (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14075)

1

Ten aanzien van programma’s specifiek gericht op allochtonen zijn de volgende budgettaire gegevens aanwezig bij Jeugd en Gezin:

In de periode 2009–2011 investeren J&G en WWI in totaal € 10 mln (J&G: 3 x 2 mln) in diversiteit in het jeugdbeleid. Het gaat hierbij om maatregelen waarmee migrantenjongeren en hun ouders (in casu: mensen die zelf in een ander land zijn geboren of wiens ouders of grootouders niet in Nederland zijn geboren) eerder en beter door jeugdprofessionals bereikt kunnen worden;

Voor opvang en voogdij van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV’s) is meerjarig circa € 19 mln gereserveerd. Voor historische gegevens wordt verwezen naar tabel 1.

Tabel 1. Meerjarenbeeld uitgaven Jeugd en Gezin (in € mln)

 200520062007200820092010201120122013
Diversiteit jeugdbeleid   2,02,02,0   
Opvang en voogdij AMV’s65,335,519,816,418,818,619,319,319,3

Ten aanzien van de algemene kindgebonden regelingen (kinderbijslag (AKW) en kindgebonden budget (WKB)) is het volgende op te merken:

Ouders van kinderen t/m 17 jaar hebben vrijwel allemaal recht op AKW en, afhankelijk van het inkomen, op WKB.

De SVB registreert de etnische herkomst van AKW-ontvangers niet; hetzelfde geldt voor de Belastingdienst bij de WKB. Over de populatie in algemene zin is op te merken dat in 2005 in Nederland bijna 3,6 miljoen kinderen jonger dan 18 jaar woonden. Daarvan was 78% autochtoon, 6% westers en 16% niet westers allochtoon (zie tabel 2).

Tabel 2. Aantal kinderen naar herkomstgroepering en leeftijd op 1 januari 2005 (Bron: CBS)

 Autoch-toonWesters alloch-toonNiet westers alloch-toonTotaal
Kinderen (0-17 jaar)78%6%16%100%

De hoogte van de AKW hangt voor jongere kinderen (geboren in 1995 of later) af van de leeftijd van de kinderen. Voor oudere kinderen speelt het aantal kinderen in het gezin een rol. De leeftijdsopbouw onder autochtonen, westers allochtonen en niet-westers allochtonen varieert niet zo sterk.

Bezien naar woonland wordt ca 1% van de AKW geëxporteerd: 0,7% naar westerse landen en 0,4% naar niet-westerse landen (bron: SVB). Welk percentage van de geëxporteerde AKW-uitkeringen naar allochtonen gaat, is niet bekend.

2

Dit betreffen gegevens uit de Jeugd en Gezin-begroting.

3

Van opbrengsten voor de begroting van Jeugd en Gezin is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar bovenstaande antwoorden.

4

Zie antwoord op vraag 1.

5

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Justitie op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kosten van (niet-westerse) allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14079)

1 t/m 4

Uitgaande van registratie op grond van de CBS-definitie van een (niet-westers) allochtoon is dit gegeven doorgaans niet bekend. Het feit dat iemand (niet-westers) allochtoon is, wordt doorgaans niet in justitiële bestanden geregistreerd, onder meer omdat in verband met privacywetgeving alleen die gegevens mogen worden geregistreerd die van belang zijn voor het werkproces. Het feit dat iemand al dan niet allochtoon is, is als zodanig niet relevant voor de uitvoering van de justitiële taken en het justitiële werkproces. Tegen criminaliteit wordt opgetreden zonder aanzien des persoon. Zo ook wordt rechtsbescherming geboden zonder onderscheid te maken tussen mensen. In bepaalde gevallen wordt echter bijvoorbeeld wel het geboorteland of de nationaliteit geregistreerd – zoals in de Vreemdelingketen het geval is –, al kunnen deze cijfers niet een op een worden vertaald naar de vraag of men (niet-westers) allochtoon is. Mede hierdoor is niet rechtstreeks uit de Justitiebegroting af te leiden welke uitgaven direct zijn toe te rekenen aan (niet-westerse) allochtonen.

Hierop zijn enkele uitzonderingen, zoals uit het navolgende zal blijken. Voor wat betreft de hieronder genoemde bedragen geldt, dat dit totaalbedragen voor het betreffende beleidsterrein zijn, afkomstig uit of gebaseerd op de Justitiebegroting 2009. Veelal zijn in deze bedragen naast de directe uitvoeringskosten ook overhead en andere toegerekende uitgaven begrepen.

Cijfers zijn beschikbaar over het aandeel niet-westerse allochtonen bij halt-afdoeningen.

Jaar200420052006200720082009*2010*2011*2012*2013*
Totaal aantal halt-afdoeningen19194221222136423089212352291622583229162284823468
Aandeel niet-westerse allochtonen2635305828182592257427792760270627002797
In %13,713,813,211,212,112,212,211,811,811,9

* gebruik gemaakt van trendontwikkeling.

Conform de Justitiebegroting 2009 zijn de totale uitgaven in het kader van halt als volgt:

 Realisatie 2008Kader 2009
€ x 1 mln.13,113,1

Voor wat betreft de uitgaven van de Dienst Justitiële Inrichtingen is de volgende informatie beschikbaar voor de sectoren Jeugd en Forensische Zorg. Van de sector Jeugd betreft voor het jaar 2008 het aandeel niet-westerse allochtonen circa 50%. Voor de jaren 2005, 2006 en 2007 zijn de percentages respectievelijk 42%, 41% en 43%. Voor de sector Forensische Zorg is het aandeel niet-westerse allochtonen voor het jaar 2008 circa 22%. Voor de jaren 2005, 2006 en 2007 zijn de percentages respectievelijk 24%, 24% en 23%. Voor de sector Gevangeniswezen zijn daarentegen geen gegevens beschikbaar uitgaande van de CBS-definitie. Voor vreemdelingenbewaring en uitzetcentra wordt verwezen naar onderstaande passage. De totale uitgaven Jeugd en Forensische Zorg betreft conform de Justitiebegroting 2009 (€ x 1 mln.):

 Realisatie 2008Kader 2009
DJI-Jeugd335,3352,0
DJI-Forensische Zorg528,9590,3

Zoals gezegd, geldt voor de organisaties die op het terrein van het Vreemdelingenbeleid werkzaam zijn (IND, COA, DJI en DT&V) dat de nationaliteit van de vreemdeling wordt geregistreerd. Een vreemdeling is een persoon met een andere nationaliteit dan de Nederlandse. Er vindt geen registratie plaats – conform de CBS-definitie van allochtoon zijn – van het geboorteland van de vader en/ofmoeder. Het zal overigens in de regel gaan om personen die onder de categorie niet-westerse allochtonen te scharen zijn. Met taken van Justitieorganisaties die onderdeel uitmaken van de Vreemdelingenketen zijn, conform de Justitiebegroting 2009 (€ x 1 mln.), de volgende bedragen gemoeid:

 Realisatie 2008Kader 2009
IND306,4231,0
COA467,3321,2
DJI196,0203,2
DT&V60,352,4
Vreemdelingenkamer40,843,5
Overig47,342,3

Daarnaast kan worden gemeld dat voor de «Aanpak Voorkomen Criminele Loopbaan Allochtone Jongeren» in de vier grote steden in de jaren 2006 t/m 2009 in totaal € 22 miljoen euro beschikbaar is gesteld, waarvan 90% direct voor de uitvoering aan de gemeenten beschikbaar is gesteld. De overige 10% is gereserveerd voor de ondersteuning van de gemeenten door de beschrijving van toegepaste methodieken, het verrichten van evaluatieonderzoek en het stimuleren van kennisontwikkeling en kennisuitwisseling. In dit kader is op de Justitiebegroting in de jaren 2010 t/m 2012 € 6 mln. beschikbaar, waarvan jaarlijks € 5,4 mln. wordt toegevoegd aan de Decentralisatie Uitkering Aanpak Marokkaans-Nederlandse probleemjongeren. Dat bedrag gaat via het Ministerie van BZK naar het Gemeentefonds. Meer informatie hierover is opgenomen in de antwoorden van het Ministerie van BZK.

Gedurende de periode van 2006 t/m 2011 zijn voor de aanpak van eergerelateerd geweld de volgende gelden beschikbaar (gesteld): 2006: € 1,9 mln., 2007: € 2,7 mln., 2008: € 4 mln., 2009: € 3,5 mln., 2010: € 5,8 mln. en 2011: € 3,2 mln.

Uit het aandeel van allochtonen in de verdachtenpopulatie, zoals blijkt uit cijfers van het CBS (www.cbs.nl, Dossier Allochtonen, Bevolking (algemeen), Bevolking (trend) en thema Veiligheid en Recht, Verdachten naar herkomst), kan dan ook worden afgeleid dat relatief meer capaciteit in de rest van de strafrechtketen zal worden ingezet ten aanzien van deze specifieke groep, in vergelijking tot andere groepen. Het is niet mogelijk daarvan op basis van de beschikbare gegevens op verantwoorde wijze een reële schatting van de kosten te maken.

5

Ook met betrekking tot de legesbedragen die de IND ontvangt voor de behandeling van naturalisatieverzoeken en aanvragen voor een reguliere verblijfsvergunning kan – uitgaande van de CBS-definitie – niet worden aangegeven welk deel niet-westerse allochtonen betreft. Voor de afhandeling van asielverzoeken worden geen leges in rekening gebracht.

Naast de leges van de IND bestaan de ontvangsten van Justitie uit onder meer boetes, transacties en ontnemingsmaatregelen. Deze ontvangsten komen binnen bij het CJIB. Ook bij het CJIB wordt niet geregistreerd naar allochtoon zijn, dus het is niet mogelijk om de ontvangsten hiernaar uit te splitsen.

6

Zowel de registratiebestanden van de diverse justitieonderdelen als de Justitiebegroting zijn betrokken.

7 en 8

Voor beantwoording van deze vragen wordt verwezen naar hetgeen bij beantwoording van de vragen 1 t/m 4 reeds is gemeld.

Antwoorden van de minister en de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kosten van OCW-voorzieningen voor allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14081)

1

Het aandeel van niet-westerse allochtonen in het onderwijs in de periode 2005-2013 blijkt uit onderstaande tabel:

 200520062007200820092010201120122013
po15,915,916,016,116,116,316,416,516,6
vo14,414,414,714,714,514,714,814,915,1
mbo20,020,020,020,020,020,020,220,520,7
hbo13,113,413,914,214,514,715,015,315,6
wo11,812,212,512,813,113,313,613,914,2

De gerealiseerde percentages zijn afkomstig uit leerlingentellingen 2005 t/m 2008, inclusief het door LNV bekostigde onderwijs, maar exclusief voorschoolse educatie en volwassenen-educatie. Voor primair onderwijs (po) stemmen deze percentages overeen met bevolkingscijfers (4-11 jarigen), voor voortgezet onderwijs (vo) ligt de deelname ca. 1 procentpunt lager dan de overeenkomstige bevolkingsgroep 12-16 jarigen, omdat allochtonen ondervertegenwoordigd zijn in havo/vwo en bijgevolg het vo gemiddeld eerder verlaten dan autochtone vo-leerlingen. Mede daardoor zijn allochtonen bij mbo juist oververtegenwoordigd, nl. met ca. 4 procentpunten, bij hbo en wo daarentegen is er een ondervertegenwoordiging van 2 à 3 procentpunten.

De prognose voor de periode 2009–2015 is bij po, vo en mbo gebaseerd op de trendmatige ontwikkelingen in de bevolking per leeftijdsgroep volgens de allochtonenprognose van het CBS. Maar bij hbo en wo wijkt de historische trend in percentages duidelijk af van de ontwikkeling in de relevante leeftijdsgroep van de bevolking, daarom is hier op basis van historische cijfers rekening gehouden met een sterkere stijging van het percentage allochtonen.

Uitgaande van deze percentages worden de volgende aantallen niet-westers allochtone onderwijsdeelnemers (x 1000) berekend, dit omvat al het door OCW en LNV bekostigde onderwijs:

 200520062007200820092010201120122013
po261261261261261262262260258
vo138138138139139139141143146
mbo9899100102102105109111111
hbo474851545658606264
wo242526272931323435
totaal567571577583587595604610615

2

Het is het niet mogelijk een reële schatting te geven van de kosten die gemaakt worden voor niet-allochtone onderwijsdeelnemers. Dit komt omdat er zowel kostenverlagende en kostenverhogende effecten op de gemiddelde prijs inwerken die niet specifiek zijn toe te rekenen naar niet-westere allochtonen.

3

In de kosten van de aanpak van spijbelen en voortijdig schoolverlaten wordt geen onderscheid gemaakt naar doelgroepen.

In het hoger onderwijs echter investeert het kabinet extra in het verbeteren van het studiesucces van Nederlandse studenten met een niet-westerse achtergond (zie de begroting van het ministerie van OCW, tabel 6.2; Tweede kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 200 hoofdstuk VIII, nr 2). Deze investeringen richten zich op structurele verbetering van het rendement onder deze groep studenten. In het bijzonder wordt gestreefd naar het inlopen van de achterstandspositie van deze groep studenten ten opzichte van autochtone studenten. Het gaat om een bedrag van 8,8 mln in 2009 en 12,8 mln structureel vanaf 2010.

4 en 5

Cultuur

In de brief «Culturele Diversiteit» aan de Tweede Kamer van 24 april 2009 heb ik een evaluatie gegeven over culturele diversiteit op het gebied van kunst en cultuur inclusief cultureel erfgoed. De diversiteit gaat hierbij over alle aspecten waarin mensen van elkaar kunnen verschillen. Dat is niet alleen etniciteit, maar ook sekse, leeftijd, opleiding, religie, inkomen en seksuele oriëntatie. Het minsterie van OCW en de cultuurfondsen subsidieren een aantal instellingen onder de noemer van culturele diversiteit. Hiermee is een bedrag gemoeid van € 7,5 miljoen in 2008.

Media

Er is een jaarlijkse bijdrage van circa € 3,8 miljoen uit de mediabegroting gericht op het versterken van een divers media-aanbod. In de brief aan de Kamer van november 2008 (Kamerstuk 31700 VIII, nr. 44) wordt het beleid op het terrein van media en diversiteit geëvalueerd. De evenwichtige representatie van verschillende bevolkingsgroepen in het algemene media-aanbod en het versterken van diversiteit in de media door het ondersteunen van specifiek aanbod wordt hierin onder de loep genomen. Het ministerie van OCW registreert niet welke kosten op het gebied van media worden gemaakt voor (niet westerse) allochtonen.

Kinderopvang

Het is niet bekend hoeveel procent van de gebruikers van de kinderopvangtoeslag van allochtone afkomst is, omdat dit niet geregistreerd wordt.

Emancipatie

Artikel 25 Emancipatie van de begrotingshoofdstuk VIII heeft betrekking op homo-emancipatie en vrouwenemancipatie. Kwantitatieve informatie over het totaal van de uitgaven ten behoeve van (niet-westerse) allochtonen onder artikel 25 in relatie tot het aandeel van deze groep in de bevolking is niet te geven, omdat de (meeste) middelen niet geoormerkt worden voor (niet-westerse) allochtonen. Een uitzondering hierop vormt het project 1001Kracht, dat exclusief gericht is op de bevordering van maatschappelijke deelname van allochtone vrouwen. Hiervoor is een budget beschikbaar van € 2.4 mln. voor de jaren 2008 en 2009.

6

OCW baseert de informatie over het aantal voortijdige schoolverlaters op opgaven van het CFI die hiervoor de Onderwijsnummerregistratie van de Informatie Beheer Groep als bron gebruikt. Bij de bepaling van het aandeel niet-westerse allochtonen, hanteert OCW de definitie van niet-westerse allochtoon zoals gedefinieerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. In het schooljaar 2007–2008 bedroeg het percentage nieuwe voortijdige schoolverlaters in totaal 3,7 procent van het totale aantal onderwijsdeelnemers. Bij autochtonen bedroeg het percentage nieuwe voortijdige schoolverlaters 3,0 procent (van het totaal aantal autochtone onderwijsdeelnemers), bij westerse allochtonen 4,7 procent (van het totale aantal westerse allochtone onderwijsdeelnemers) en bij niet westerse allochtonen 6,3 procent (van het totale aantal niet-westerse allochtone onderwijsdeelnemers). De meerderheid van het totaal aantal uitvallers in schooljaar 2007–2008 is van autochtone afkomst. Ongeveer 35 procent van de totale groep uitvallers bestaat uit westerse en niet-westerse allochtonen.

De algemene trend is dat het aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters de afgelopen schooljaren steeds is gedaald. In het schooljaar 2007–2008 bedroeg het aantal nieuwe voortijdige schoolverlaters 48.800. Daaronder waren circa 32.000 autochtonen, circa 3.800 westerse allochtonen en circa 13.000 niet-westerse allochtonen.

In het hoger onderwijs is de uitval van niet-westerse allochtone studenten een aantal procenten hoger dan bij autochtone studenten. Het verschil wordt wel steeds kleiner. Het percentage hbo-studenten dat na 6 jaar een hoger onderwijsdiploma heeft behaald is 66% bij autochtone studenten en 48% bij niet-westerse allochtonen. In het wo is het respectievelijk 47% en 35% (CFI, 1 cijfer HO; peildatum 2006). Zie ook tabel 6.9 in de begroting van het ministerie van OCW voor het jaar 2009 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 31 700 hoofdstuk VIII, nr. 2).

7

Zie antwoord op vraag 1.

8

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 2 en de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kosten gerelateerd aan de sociale zekerheid van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14088)

1 en 5

Het CBS stelt jaarlijks cijfers beschikbaar over het gebruik van sociale zekerheidsregelingen naar herkomst. De vroegst beschikbare cijfers dateren uit 1999, de laatst beschikbare cijfers dateren momenteel nog uit 2005. Latere jaren komen met vertraging beschikbaar vanwege de opstartproblemen in 2006 met de nieuwe polisadministratie. Naar aanleiding van deze CBS-statistieken heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het verleden al met regelmaat de Kamer geïnformeerd over het uitkeringsbeslag naar herkomstgroep6.

Voor een analyse van het gebruik van uitkeringen, is het logisch om de bevolking in twee leeftijdsgroepen op te delen.

Mensen tussen 18 en 65 jaar. Belangrijkste categorieën uitkeringen hierbij zijn de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (WAO/WIA/Wajong/WAZ), de WW en de bijstand (WWB).

65-plussers, zowel autochtoon als allochtoon, hebben vrijwel allemaal recht op AOW en, indien die niet volstaat om aan het sociaal minimum te geraken, onder voorwaarden op aanvullende bijstand. De hoogte van de AOW hangt daarbij af van het aantal jaren dat iemand in Nederland heeft gewoond. Eerste generatie immigranten krijgen daarom vaak een lagere AOW.

Populatie 15-65 jaar

Uit de CBS-cijfers over 2005 blijkt het volgende algemene beeld over het gebruik van uitkeringen naar herkomst7. De tabel is beperkt tot de populatie 15-65 jarigen, grofweg de potentiële beroepsbevolking.

15-65 jarigen (%)AutochtoonWesters allochtoonNiet-westers allochtoonTotaal
Werk71,8%61,4%49,6%68,5%
Uitkering14,3%16,8%25,2%15,7%
– wv. AO7,9%7,6%6,7%7,7%
– wv. WW2,1%2,9%3,0%2,3%
– wv. Bijstand2,2%4,3%13,8%3,6%
– wv. Overig4,0%3,9%3,8%4,0%
Geen werk of uitkering13,9%21,8%25,2%15,8%
Totaal100,0%100,0%100,0%100,0%

In 2005 kreeg 25,2 procent van de niet-westerse allochtonen (298.000 personen) een uitkering. Bij de autochtonen is dat 14,3 procent (1.260.000 personen) en bij de westerse allochtonen 16,8% (172.000 personen).

De cijfers kunnen ook gepresenteerd worden per uitkering naar herkomstgroep.

15-65 jarigen (%)AutochtoonWesters allochtoonNiet-westers allochtoonTotaal
Uitkering totaal72,8%9,9%17,3%100,0%
– wv. AO81,6%9,1%9,3%100,0%
– wv. WW74,1%11,7%14,2%100,0%
– wv. Bijstand48,3%10,9%40,7%100,0%
– wv. Overig80,7%9,0%10,3%100,0%

De verschillen tussen autochtonen en allochtonen zitten vooral bij de bijstandsuitkeringen. Van de totale bijstandspopulatie in 2005 bestond 40,7% uit niet-westerse allochtonen en 10,9% uit westerse allochtonen.

Bij de cijfers moet bedacht worden dat de niet-westerse allochtonen een zeer gemêleerde groep vormen, zowel naar migratiemotief, herkomstland, persoonskenmerken (leeftijd, opleidingsniveau, taalbeheersing) als verblijfsduur. Verklarende factoren voor de hoge percentages kunnen onder meer zijn het gemiddeld lage opleidingsniveau, de beperkte taalbeheersing, beperkte netwerken en de gezinssamenstelling (veel alleenstaande ouders).8

Uit de CBS-cijfers blijkt dat de tweede generatie niet-westerse allochtonen in alle leeftijdsgroepen meer werkt en minder gebruik maakt van sociale zekerheidsregelingen dan de eerste generatie. Bedacht moet wel worden dat de aantallen oudere niet-westerse allochtonen van de tweede generatie nog beperkt zijn. Ook blijken grote verschillen te bestaan tussen deverschillende herkomstlanden. Hierbij speelt het migratiemotief een belangrijke rol. Het percentage van 25,2% uitkeringsgebruik varieert tussen de herkomstlanden van rond de 10% (China, Filipijnen) tot boven de 40% (Somalië, Irak). Bij de laatste twee landen is (relatief recente) asielmigratie het dominante migratiemotief.

Populatie ouder dan 65 jaar

Van de ruim 2,3 miljoen in Nederland wonende 65-plussers met AOW in 2005 was het aandeel allochtonen beperkt tot 2% niet-westers en 9% westers. Het merendeel van deze niet-westerse allochtonen (94%) ontvangt een gekorte AOW-uitkering omdat men niet de gehele periode tussen het 15e en 65e jaar in Nederland heeft gewoond. Een groep van circa 30 duizend AOW-ers met een gekorte AOW ontvangt aanvullende bijstand. Hiervan is ruim 10% autochtoon, 15% westers allochtoon en bijna 75% niet-westers.

Verder geldt dat een substantieel aantal oudere allochtonen remigreert naar het geboorteland. Welk percentage van de geëxporteerde AOW-uitkeringen naar allochtonen gaat, is niet bekend aangezien de SVB geen etnische herkomst registreert. SVB registreert wel het woonland. Van de ca 220 duizend geëxporteerde AOW-uitkeringen gaat 84% naar klanten in westerse landen en 16% naar klanten in niet-westerse landen.

2, 3, 4, 6 en 7.

De totale kosten van de sociale zekerheid in Nederland bedragen in 2009 ruim € 58 miljard. Hiervan betreft ca. € 50 miljard de kosten van de uitkeringen. Van die € 50 miljard betreft meer dan de helft (€ 27 miljard) de AOW, ruim € 11 miljard de arbeidsongeschiktheidsregelingen, bijna € 4 miljard de WW, bijna € 4 miljard de WWB en ca.

€ 4 miljard overige uitkeringen (o.m. Anw, ZW en WAZO). Uitvoering van de sociale zekerheid en re-integratie kosten elk ca. € 2,5 miljard. Andere SZW-gerelateerde uitgaven betreffen onder meer de WSW.

Het CBS heeft geen gegevens over de kosten van het gebruik van de sociale zekerheid uitgesplitst naar autochtonen en allochtonen.

De aandelen allochtonen in de populaties van de verschillende socialezekerheidsregelingen (zie ook beantwoording vragen 1 en 5) kunnen niet één-op-één worden doorvertaald in kosten.

Immers, de hoogte van WAO-, WIA- en WW-uitkeringen is afhankelijk van het oude loon. Aangezien allochtonen een gemiddeld lager loon verdienen dan autochtonen, zijn hun WAO-, WIA- en WW-uitkeringen lager dan gemiddeld. Een soortgelijke redenatie geldt voor de hoogte van de AOW-uitkering die afhankelijk is van het aantal jaren dat iemand tussen zijn 15e en 65e in Nederlands heeft gewoond. De gemiddelde AOW-uitkering van allochtonen is daardoor lager dan die van autochtonen.

Voor het antwoord op de vraag naar de opbrengsten van (niet-westerse) allochtonen wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister van Verkeer en Waterstaat op vragen van het lid Fritsma (PVV) over aan Verkeer en Waterstaat gerelateerde kosten van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14087)

1

Verkeer en Waterstaat hanteert geen indeling in kosten naar (niet-westerse) allochtonen.

2

Zie bovenstaand antwoord.

3

De begroting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en het Infrastructuurfonds.

4

Nee, zie bovenstaand antwoord.

5

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op vragen van het lid Fritsma (PVV) over kwantificering van zorgkosten (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14077)

1

Er kan niet worden aangegeven welk deel van de zorguitgaven aangewend wordt voor de uitgaven voor (niet westerse) allochtonen, omdat het op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) verboden is persoonsgegevens van iemands ras, gezondheid etc. te verwerken, behalve in specifieke situaties (Wbp artikel 16).

Op basis van de RIVM monitor heb ik echter wel inzicht in het zorggebruik van 4 grote groepen van (niet westerse) allochtonen (Turken, Marokkanen, Surinamers en Antilianen). In mijn plan van aanpak voor het verminderen van gezondheidsverschillen op basis van sociaaleconomische achtergronden (Tweede Kamer 2008–2009, 22 894, nr. 209) heb ik u dit vermeld. In zijn algemeenheid geldt dat gezondheid en zorggebruik sterk afhankelijk is van de sociaaleconomische status. In vergelijking met autochtonen met een vergelijkbare sociaaleconomische positie en gezondheidstoestand gaan allochtonen relatief vaker naar de huisarts (25%), maar relatief minder vaak naar de specialist (–40%)/ het ziekenhuis (–30%). Uit de monitor blijkt dat het zorggebruik van allochtonen gecorrigeerd naar hun sociaaleconomische status niet sterk afwijkt van autochtonen.

Er zijn verder aandoeningen die vaker voorkomen bij allochtonen dan autochtonen, maar er zijn ook aandoeningen die minder vaak voorkomen bij allochtonen dan bij autochtonen. Factoren die hierbij een rol spelen zijn verschillen in leefstijl en genetische aanleg. Zo drinken allochtone jongeren bijvoorbeeld minder alcohol, maar hebben ze vaker last van overgewicht. Voor roken en cannabisgebruik zijn er geen verschillen tussen beide groepen. Verder komt er onder allochtonen meer diabetes voor, maar minder kanker. Sikkelcelanemie, bijvoorbeeld, komt vaker voor bij mensen afkomstig uit gebieden rond de Middellandse zee (bron: RIVM monitor).

2

Het is niet exact bekend welk deel van de geprognosticeerde premie-inkomsten niet is behaald in verband met wanbetaling.

3 en 6.

Voor speciaal op allochtone gerichte programma’s zijn c.q. worden voor de jaren 2006 tot en 2013 door het ministerie van VWS de volgende bedragen beschikbaar gesteld:

Tabel 1: Meerjarenbeeld uitgaven VWS (bedragen x € 1 mln.)

  200520062007200820092010201120122013
Artikel 21: Preventie en gezondheids-bescherming :           
OD 5: Een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorg dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid          
Praktijk-programma allochtonen in de gezondheidszorg en monitoring ontwikkelingenBevorderen praktische kennis en kunde op het gebied van allochtonen in de gezondheidszorg 0,10,10,1     
Artikel 41 Volksgezondheid,           
OD 4: Minder vermijdbare ziektelast door een goede bescherming tegen infectieziekten en chronische ziekten          
SOA Aids Nederland e.a. Allochtonen en seksuele gezondheid     11111
Artikel 41          
Volksgezondheid, OD5: een doelmatig systeem van openbare gezondheidszorg-voorzieningen dat bijdraagt aan een betere volksgezondheid          
Stichting PharosInstellings-subsidie 2,9333    
Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning, OD 1 burgers worden gestimuleerd actief te participeren in maatschappelijke verbanden          
Stichting contactorgaan Moslims en overheidInformatie-voorziening over de WMO   0,080,01    
Artikel 44 Maatschappelijke ondersteuning OD 2: burgers bieden anderen vrijwillige ondersteuning en kunnen gebruik maken van vrijwillige ondersteuning          
Bevordering Maatschappelijke Participatie StichtingAllochtone mantelzorg   0,010,040,040,020,01 

Voor nagenoeg alle andere programma’s geldt dat daaraan zowel allochtonen als autochtonen deelnemen. Van deze programma’s is niet exact aan te geven welk deel van de uitgaven betrekking heeft op allochtonen.

4

Van opbrengsten voor de begroting van VWS is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen 1 en 3.

5

De gegevens zijn afkomstig uit de begroting van VWS.

7

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op vragen van het lid Fritsma (PVV) over aan allochtonen toe te rekenen kosten (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14086)

1

Binnen de VROM-begroting is het volgende beleid direct te relateren aan (niet-westerse) allochtonen:

– Het toezicht op de huisvesting van statushouders (verblijfsgerechtigden) en het toezicht op de huisvesting van arbeidsmigranten door de VROM-Inspectie9. Het toezicht heeft als doel na te gaan of afspraken die gemaakt zijn ten aanzien van huisvesting van arbeidsmigranten en statushouders worden uitgevoerd door gemeenten en provincies. In 2009 is in totaal circa € 25.000 besteed aan brochuremateriaal en updaten van een handreiking over deze onderwerpen voor gemeenten en corporaties.

– Via de Subsidieregeling Maatschappelijke Organisaties en Milieu (SMOM), waarvoor in 2009 in totaal € 6 mln beschikbaar is, is één project direct gericht op (niet-westerse) allochtonen gesubsidieerd: het project «Duurzaam de Deur uit» van Tiye International, een platform van landelijke zwarte, migranten en vluchtelingenvrouwenorganisatie. Tiye International ontvangt in 2009 een bedrag van € 108.255 voor dit project.

Er kan niet worden aangegeven welk deel van de uitgaven op VROM-terrein aangewend wordt voor (niet-westerse) allochtonen, omdat de herkomst van mensen niet wordt bijgehouden.

2

Van opbrengsten voor de begroting van VROM is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar het antwoord op vraag 1.

3

Naast openbare gegevens waarover de Kamer reeds is geïnformeerd, zoals de Rijksbegroting 2009, is bij beantwoording van de vragen ook gebruik gemaakt van de (financiële) administratie van SenterNovem (uitvoerder SMOM-regeling) en van de VROM-Inspectie.

4

(x € 1 mln)      
 200520062007200820092010
VROM-inspectie  0,020,020,090,02
SMOM-regeling    0,11 

Zoals vermeld bij vraag 1 is voor de VROM-inspectie (VI) in 2009 € 25.000 beschikbaar gesteld voor toezicht op de huivesting van statushouders (€ 15.000) en arbeidsmigranten

(€ 10.000). Op het gebied van toezicht op de huisvesting van statushouders bedroegen overige uitgaven in eerde jaren circa € 17.000 per jaar. Voor 2010 staat het onderwerp opnieuw in de begroting; de financiële middelen die hierop worden ingezet, zijn vergelijkbaar met eerdere jaren (€ 15.000 in 2009). Voor de jaren erna is nog niet bekend of de VI werkzaamheden op dit terrein zal verrichten. In 2008 heeft de VI voor het eerst toezicht verricht op de huisvesting van arbeidsmigranten, hiervoor is circa € 60.000 beschikbaar gesteld. Voor 2010 is dit onderwerp niet opgenomen in de begroting.

Voor wat betreft de SMOM-subsidie aan Tiye international, deze organisatie heeft in het verleden geen subsidie ontvangen via de SMOM-regeling. Het is nog niet bekend of Tiye International volgend jaar subsidie zal aanvragen danwel of deze wordt gehonoreerd.

5

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de begeleidende brief.

Antwoorden van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie op vragen van het lid Fritsma (PVV) over aan WWI gerelateerde kosten van allochtonen (Ingezonden 17 juli 2009, 2009Z14085)

1

Binnen de WWI-begroting is het volgende beleid direct te relateren aan (niet-westerse) allochtonen:

– Artikel 4, Integratie niet-westerse migranten, bedraagt € 500 mln in 2009. Bij beantwoording van vraag 5 wordt ingegaan welke uitgaven zijn gedaan/ geraamd ten behoeve van specifiek inburgerings- en integratiebeleid gericht op (niet-westerse) allochtonen.

– Het ministerie voor WWI voert in samenwerking met het SCP een verkenning «Integratie» uit naar de ontwikkeling van segregatie en mogelijkheden voor sturinghieromtrent. De onderzoeksresultaten van de Survey Integratie Nieuwe Groepen (SING) over de integratie van Polen, Irakezen, Afghanen, Iraniërs en Somaliers komen in het najaar van 2010 beschikbaar. Dit onderzoek wordt vermeld onder artikel 5: Kennis en Ordening Wonen, Wijken en Integratie, maar de programma-uitgaven zijn opgenomen onder artikel 4.

Een deel van de uitgaven op de overige artikelen van de WWI-begroting zijn indirect te relateren aan (niet-westerse) allochtonen. Het gaat hier met name om de krachtwijken en de huurtoeslag. Voor wat betreft de wijken is het niet mogelijk de gerelateerde uitgaven uit te splitsen naar bevolkingsgroep, omdat dit geen criterium was bij de selectie van de veertig aandachtswijken. Voor wat betreft de uitgaven voor de huurtoeslag kan in relatie tot (niet-westerse) allochtonen het volgende worden gemeld: 20% van het aantal huurtoeslagontvangende huishoudens in 2006 is niet westers allochtoon; aan hen is in dat jaar ook 20% van het totale bedrag aan huurtoeslag uitgekeerd. (zie tabel 1).

Tabel 1: Verdeling huurtoeslag naar etniciteit in 2006

 Aantal huishoudens (in%)Totaal volume huurtoeslag (in%)
Autochtoon6867
Niet-westers2020
Westers910
Gemengd33
Totaal100100

Bron: WoON 2006

In antwoord op de vraag over welke rol leeftijdsopbouw en andere genoemde zaken spelen in de aan WWI gerelateerde kosten die zijn toe te rekenen aan allochtonen geldt dat dit geen rol speelt.

2

Het is niet mogelijk deze vraag te beantwoorden. De omvang van het bouwprogramma is afgestemd op de vraag naar woningen op basis van feitelijke bevolkings- en huishoudensgroei in Nederland. Het tekort aan woningaanbod (verkrapping) staat hiermee los van de huisvesting van (niet-westerse) allochtonen.

3

Van opbrengsten voor de begroting van WWI is geen sprake. Voor wat betreft de kosten wordt verwezen naar het antwoord op vraag 1.

4

Bij beantwoording van deze vragen is naast de Rijksbegroting 2009 ook gebruik gemaakt van het openbaar onderzoeksbestand WoON.

5

Tabel 2: Uitsplitsing programma-uitgaven WWI (x € 1 mln)

Instrumenten Artikel 4200520062007200820092010201120122013
Facilitering inburgering204328363376426395395395370
Facilitering remigratie283029393836363636
Overige instrumenten193033473935333333
Totale uitgaven251388425462503466464464439

Voor de categorie «overige instrumenten» in tabel 2 gaat het in de begroting van 2009 om uitgaven voor: de gemeenschappelijke integratieagenda met gemeenten, antidiscriminatiebeleid, het actieprogramma diversiteit in het jeugdbeleid, preventieprojecten (onder andere eergerelateerd geweld en polarisatie en radicalisering), initiatieven actief burgerschap en dialoog en kennis/expertise/overleg. Voor decentralisatie-uitkeringen op het terrein van Inburgering en Integratie wordt verwezen naar de antwoorden van het ministerie van BZK. De hierboven genoemde bedragen kunnen overigens niet volledig worden toegeschreven aan de (niet-westerse) allochtonen. Bijvoorbeeld de aanpak van rassendiscriminatie richt zich op alle Nederlanders en de adviezen van het instituut voor multiculturele ontwikkeling Forum richten zich op integratievraagstukken in brede zin, niet alleen op de positie van (niet-westerse) allochtonen.

6

Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de begeleidende brief.


XNoot
1

Afhankelijk van evaluatie LECD wordt eind 2009 besloten over vervolg LECD.

XNoot
2

Deze maatstaf is niet gelijk aan de CBS definitie van (niet-westerse) allochtonen. De in dit antwoord gehanteerde definitie van minderheden luidt: «1. Het totaal van het aantal inwoners van de gemeente waarvan ten minste een ouder geboren is in Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba, Turkije of Marokko. 2. Het aantal personen dat, per 1 januari van het betreffende jaar, in de gemeente staat geregistreerd onder de codes 26 en 27 van de GBA. Deze populatie sluit aan bij het aantal vreemdelingen dat rechtmatig verblijf heeft op grond van een tijdelijke vergunning bedoeld in artikel 8 punt c en op grond van een permanente vergunning bedoeld in artikel 8 punt d van de vreemdelingenwet 2000.«

XNoot
3

Dat bedrag komt tot stand door het bedrag per eenheid (€ 327,51) te vermenigvuldigen met de jaarlijks vastgestelde uitkeringsfactor van het gemeentefonds (voor 2010 is dat 1,55) en het aantal eenheden (in 2010 1.258.415 minderheden).

XNoot
4

De definitie van vreemdeling is opgenomen in de Vreemdelingenwet en luidt als volgt: Een vreemdeling is iemand die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

XNoot
5

De definitie van vreemdeling is opgenomen in de Vreemdelingenwet en luidt als volgt: Een vreemdeling is iemand die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

XNoot
6

O.m. Brief van Minister Vermeend van 23 november 2000 (vergaderjaar 2000–2001 Kamerstukken 27083 en 27223, nr. 14), Onderzoek «In de fuik: Turken en Marokkanen in de WAO» van 16 april 2002 (Verweij-Jonker instituut in opdracht van SZW, aan de Tweede Kamer aangeboden op 13 mei 2002), Beleidsverkennende notitie arbeidsmigratie van 2005 (vergaderjaar 2005–2006, Kamerstuk 29861, nr. 7), Brief Arbeidsparticipatie en uitkeringsafhankelijkheid Oost-Europeanen (vergaderjaar 2008–2009 Kamerstuk 29407, nr. 96).

XNoot
7

Combinaties van uitkeringen zijn mogelijk, dus de afzonderlijke uitkeringspercentages tellen niet op tot het totaalpercentage uitkeringsgerechtigden.

XNoot
8

Bron: SCP. Jaarrapport Integratie 2007

XNoot
9

1 Onder verblijfsgerechtigden wordt verstaan: vreemdelingen die in Nederland op grond van een asielverzoek rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen a t/m d van de Vreemdelingenwet 2000. (Bron: Huisvestingswet, artikel 60a). Onder arbeidsmigranten vallen alle (tijdelijke) arbeidskrachten uit het buitenland, inclusief de EU, die tekorten opvangen op de arbeidsmarkt in Nederland.