Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

3520

Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat politie en justitie bij kindermishandeling te weinig beroep doen op forensische artsen. (Ingezonden 5 juni 2009)

1

Bent u op de hoogte van het bericht dat politie en justitie bij kindermishandeling nog te weinig een beroep doen op forensische artsen?1

2

Bent u op de hoogte van het feit dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) beschikt over een forensische expert die bij nog levende kinderen kan vaststellen hoe bepaalde verwondingen zijn ontstaan? In welke mate wordt op dit moment gebruik gemaakt van deze expertise? Is dit naar uw mening voldoende?

3

Bent u van mening dat kinderartsen voldoende alert zijn op het herkennen van kindermishandeling? Bent u van mening dat kinderartsen te weinig melden, zoals de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Kinderartsen stelt? Bent u van mening dat politie en justitie te weinig gebruik maken van een forensisch arts, zoals de directeur van het NFI stelt? Deelt u de mening dat ieder jaar kinderen overlijden aan de gevolgen van kindermishandeling, terwijl dat onopgemerkt blijft? Is het feit dat in de Wet op de lijkbezorging is geregeld dat bij het overlijden van minderjarigen de behandelend arts (telefonisch) contact moet opnemen met een forensisch arts voldoende om uit te sluiten dat kinderen die overlijden ten gevolge van kindermishandeling onopgemerkt blijven? Wat is uw mening ten aanzien van het amendement Arib2 in het licht van voorgaande feiten?

4

Is het waar dat uit onderzoek blijkt dat een kwart van de fracturen bij kinderen jonger dan drie jaar en meer dan de helft bij kinderen jongeren dan één jaar, het gevolg is van kindermishandeling? Is het waar dat in Nederland tussen de 100.000 en 160.000 kinderen per jaar slachtoffer worden van kindermishandeling en dat per jaar 40 tot 50 kinderen overlijden aan de gevolgen hiervan? Als bovenstaande gegevens waar zijn, is dat voor u dan aanleiding maatregelen te nemen om te stimuleren:

– dat kinderartsen alerter zijn op het herkennen van kindermishandeling en vermoedens van kindermishandeling melden?;

– dat politie en justitie bij vermoeden van kindermishandeling vaker een beroep doen op een forensisch arts? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen en wanneer? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie), mede namens de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voor Jeugd en Gezin (ontvangen 21 augustus 2009) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 3069

1

Ja.

2

Ja, daar ben ik van op de hoogte. Sinds medio 2008 heeft het NFI zijn vakgebied forensische geneeskunde met forensische pediatrie1 uitgebreid. In een strafrechtelijk traject is het voor politie en justitie mogelijk om de forensisch pediatrisch arts van het NFI in te schakelen, zoals ook in het krantenartikel wordt vermeld. Het onderzoek wordt gestart naar aanleiding van een aangifte van kindermishandeling of een vermoeden van niet-natuurlijk overlijden. Het leidt tot een rapport ten behoeve van de rechtspleging. Het NFI kan circa 100 zaken op jaarbasis af doen. Deze capaciteit wordt optimaal benut. Ik heb geen indicatie dat – gelet op het huidige aantal meldingen – de beschikbare capaciteit onvoldoende zou zijn.

3

Het signaleren en melden van kindermishandeling gebeurt inderdaad nog te weinig. Het ontbreken van kennis speelt daarbij een rol. Om die reden hebben de minister voor Jeugd en Gezin, de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik besloten om een verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in te voeren. Daarnaast worden er gesprekken gevoerd door de Stuurgroep Aanpak Kindermishandeling met de verschillende beroepsgroepen, o.a. de kinderartsen, om meer te gaan melden. De Nederlandse Vereniging van Kinderartsen (NVK) heeft daarbij aangegeven dat kindermishandeling bij kinderartsen steeds hoger op de agenda staat.

Om het aantal gevallen van onverklaard overlijden van minderjarigen zo klein mogelijk te maken, zal de NODO-procedure (nader onderzoek doodsoorzaak minderjarigen) worden ingevoerd. Deze procedure heeft een neutraal, niet-justitieel karakter en krijgt een wettelijke basis in de Wet op de lijkbezorging, waarvan de wijziging recentelijk door de Eerste Kamer is aanvaard. De NODO-procedure is gericht op het achterhalen van de doodsoorzaak bij overleden minderjarigen door middel van een neutraal nader onderzoek in die gevallen waarin er in eerste instantie geen overtuigende verklaring voor het overlijden kan worden gevonden. Door het achterhalen van de doodsoorzaak en het in kaart brengen van de omstandigheden en factoren die de dood tot gevolg hebben gehad, is het mogelijk een gefundeerde conclusie te trekken over de aard van het overlijden: een natuurlijke dan wel een niet-natuurlijke dood. Door het nader onderzoek kunnen ook gevallen van dood door kindermishandeling en verwaarlozing worden achterhaald.

Het amendement van mevrouw Arib (Kamerstukken II 2007/2008, 30 696, nr. 11) is bij de behandeling van het voorstel tot wijziging van de Wet op de lijkbezorging in de Tweede Kamer door de staatssecretaris van BZK ontraden en uiteindelijk door de Tweede Kamer afgewezen. De argumenten die toen tegen dit amendement zijn ingebracht, gelden nog steeds.

4

Ja, buitenlands onderzoek wijst inderdaad in die richting2. Uit eerste prevalentie onderzoeken blijkt dat er per jaar tussen de 100.000 en 160.000 kinderen slachtoffer worden van kindermishandeling3. Het is onbekend hoeveel kinderen door zware lichamelijke mishandeling of verwaarlozing in Nederland jaarlijks overlijden. Uit officiële landelijke statistieken over doodsoorzaken zijn hierover geen betrouwbare gegevens te achterhalen.

De schatting is dat er jaarlijks in Nederland 50 kinderen overlijden als gevolg van verwaarlozing en mishandeling4.

Het is goed mogelijk dat een zaak de politie niet bereikt omdat een «gewone» arts signalen van kindermishandeling niet herkent of geen melding doet bij de politie, maar alleen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. Zodra er een melding van kindermishandeling ligt, doet het OM er alles aan een zaak voor de rechter te brengen. Maatregelen om politie en justitie te stimuleren vaker een beroep te doen op een forensisch arts lijken dan ook op dit moment niet nodig. Zoals eerder vermeld, zetten wij daarom in op het signaleren en het melden van huiselijk geweld en kindermishandeling. Onlangs heb ik nog met uw Kamer hierover gesproken tijdens het Algemeen Overleg huiselijk geweld op 3 juni jl. en ik volsta dan ook met verwijzing naar de brief over de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, die in november vorig jaar naar uw Kamer is gestuurd5.


XNoot
1

 Het Parool, 21 april 2009.

XNoot
2

 Kamerstuk 30 696, nr. 11.

XNoot
1

Forensische pediatrie is het deel van de gezondheidszorg en de forensische geneeskunde dat zich bezig houdt met de forensisch medische evaluatie van levende en overleden minderjarigen bij wie een vermoeden van kindermishandeling bestaat.

XNoot
2

R.A.C. Bilo, S.G.F. Robben, R.R. van Rijn, Forensische aspecten van fracturen op kinderleeftijd, Isala, 2009, pag.12.

XNoot
3

Van IJzendoorn , M.H. e.a (2007)., Kindermishandeling in Nederland Anno 2005. De Nationale Prevalentiestudie Mishandeling van Kinderen en Jeugdigen (NPM-2005)

Lamers-Winkelman, F. e.a. (2007), Scholieren over Mishandeling. Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs.

XNoot
4

Universiteit Utrecht, in samenwerking met de Landelijke Huisartsen Vereniging en de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (Hekkink, Kuyvenhoven, & Voorn, 1997).

XNoot
5

Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 28345, nr. 72.

Naar boven