Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-20093122

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

3122

Vragen van het lid Vendrik (GroenLinks) aan de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van Economische Zaken over kernafval. (Ingezonden 23 maart 2009)

1

Hebt u kennisgenomen van de uitzending van EénVandaag «Atoomafval Duitsland»?1

2

Bent u op de hoogte van de problemen die in de zoutmijn in het Duitse Asse zijn opgetreden als gevolg van het storten van radioactief afval in deze verondersteld stabiele zoutlagen?

3

Bent u op de hoogte van het feit dat in het ECN-rapport «Factfinding kernenergie», eindberging van Nederlands kernafval in zoutlagen als serieuze optie wordt beschouwd?

4

Deelt u de mening eindberging van Nederlands kernafval in zoutlagen geen veilige optie is?

5

Hoe denkt u te garanderen dat er over 100 jaar, als opslag van kernafval bij de COVRA ten einde loopt, een veilige eindbergingsplaats voor kernafval is gerealiseerd?

6

Hoe denkt u te garanderen dat een ondergrondse eindbergingsplaats ook echt de benodigde miljoen jaar geologisch stabiel is en geen gevaar vormt voor de omgeving?

7

Deelt u de mening dat uit voorzorg het niet verstandig is een nieuwe kerncentrale te bouwen voordat er een definitieve en veilige opslagplaats voor het kernafval is gerealiseerd?

Antwoord

Antwoord van minister Cramer (Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) (ontvangen 1 juli 2009) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 2298

1

Ja.

2

Ja.

3

Ja.

4

Naar de huidige stand van de wetenschap en techniek is alleen geologische berging (in de diepe ondergrond) van hoogradioactief afval een oplossing, die verzekert dat het afval ook na miljoenen jaren buiten de levensruimte (biosfeer) van de mens blijft. Het Kabinetstandpunt inzake de eindberging van radioactief afval is in de brief van 11 november 2002 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 674, nr. 1) aan de Tweede Kamer uiteengezet. Dit standpunt is gebaseerd op de conclusies van de onderzoekscommissie Opberging Radioactief Afval (CORA), dat in de periode 1995–2001 onderzoek heeft uitgevoerd naar een terugneembare eindberging voor radioactief afval.

Naar aanleiding van deze conclusies heeft het toenmalige kabinet aangegeven zijn standpunt met betrekking tot de eindberging van radioactief afval te handhaven, wat inhoudt dat aangestuurd wordt op terugneembare eindberging van radioactief afval in de diepe ondergrond. Mocht in de toekomst uit nieuw wetenschappelijk onderzoek blijken dat er toch onacceptabele risico’s verbonden zijn aan een dergelijke opslag, dan zal dat standpunt moeten worden bijgesteld.

Voorts heb ik het adviesbureau NRG opdracht gegeven uit te zoeken wat de betekenis is van de problemen bij de Asse-mijn voor de hierboven genoemde conclusies. NRG komt in haar rapport van 15 mei jl. tot de conclusie dat de problemen in de Asse-mijn geen invloed hebben op de wetenschappelijke conclusies over de geschiktheid van steenzout als gastgesteente voor eindberging. De belangrijkste reden is dat de Asse-mijn een oude zout-productiemijn is, en dat er fundamentele mijnbouwkundige verschillen bestaan tussen een eindbergingsfaciliteit die daarvoor ontworpen is, en een oude zout-productiemijn.

5

Allereerst wordt opgemerkt dat het, gezien de omvang van de Nederlandse nucleaire sector, niet economisch haalbaar is om op dit moment voor de huidige hoeveelheid afval een eindberging te construeren. Na een periode van tenminste 100 jaar is zoveel radioactief afval opgespaard dat dit wel het geval is.

Dát er over 100 jaar een eindbergingsfaciliteit is gerealiseerd, is natuurlijk niet te garanderen. In de hierboven genoemde onderzoeken is een inschatting gemaakt van de kosten voor realisatie van een eindbergingsfaciliteit. De nucleaire industrie heeft in het verleden ter dekking van deze kosten een storting gedaan op een speciale rekening bij het ministerie van Financiën. Daarnaast dragen de aanbieders van radioactief afval via de COVRA-tarieven bij aan deze reservering. Door deze bijdragen alsmede de rente-ontwikkeling zal dit over 100 jaar zijn aangegroeid tot het benodigde bedrag. De financiële middelen zullen dus voor de toekomstige generaties aanwezig zijn. Daarnaast wordt in diverse landen op dit moment onderzoek gedaan naar de realisatie van een eindbergingsfaciliteit, en zijn er in Finland, Zweden en Frankrijk al concrete plannen voor de bouw van een eindbergingsfaciliteit. Er zal dus ook gebruik gemaakt kunnen worden van buitenlandse ervaringen op dit gebied.

Wel kunnen de juiste randvoorwaarden worden geschapen voor de komende generaties. Daarom is in het Energierapport aangekondigd dat dit kabinet een reeks «no-regret» maatregelen neemt om toekomstige besluitvorming niet te bemoeilijken. Mede in dat kader is in het Energierapport aangegeven dat onderzoek naar de reductie van het afvalprobleem blijvend wordt gestimuleerd. Daarnaast zet Nederland zich in op een geharmoniseerd EU-beleid voor de verdere verbetering van opslag en eindberging van radioactief afval. Nederland zet daartoe in op regionale samenwerking met zijn buurlanden.

Bovendien is in de VROM begroting 2009 onder meer opgenomen dat het onderzoek naar de eindberging van radioactief afval «terugneembare ondergrondse berging van radioactief afval» (TOBRA) zal worden voortgezet. Eén en ander zal worden verwezenlijkt als ook de elektriciteitssector het eindbergingsprogramma financieel steunt; het ziet ernaar uit dat dit het geval is.

Daarnaast dragen EZ en VROM momenteel bij aan het onderzoek inzake radioactief afval en de stralingsbescherming (EZ voor € 2,69 mln. in 2008 en € 1,875 mln. in 2009; en VROM voor € 0,22 mln.in 2008). De bijdrage van EZ zal de komende jaren afnemen, omdat EZ de verantwoordelijkheid voor radioactief afval en de stralingsbescherming enkele jaren geleden overgedragen heeft aan VROM.

6

Verwezen wordt naar mijn antwoord op vraag 4.

7

Tijdens deze kabinetsperiode wordt geen nieuwe kerncentrale gebouwd. Wel is in het Energierapport 2008 aangekondigd dat tijdens deze kabinetsperiode drie scenario’s voor de mogelijke inzet van kernenergie worden uitgewerkt, inclusief transparante en consistente randvoorwaarden, zodat een volgend kabinet op een verantwoorde wijze een besluit kan nemen over de brandstofmix.

Naast de in antwoord 5 ingezette maatregelen tijdens deze kabinetsperiode, zal deze uitwerking nader ingaan op mogelijk toekomstig beleid inzake radioactief afval. Afhankelijk van en ten gevolge van de keuze voor één van deze scenario’s zijn wel of geen aanvullende maatregelen t.b.v. de toekomst van radioactief afval gewenst. Of het uit voorzorg niet verstandig is een nieuwe kerncentrale te bouwen voordat er een definitieve en veilige opslagplaats voor het kernafval is gerealiseerd, is aan een volgend kabinet.


XNoot
1

 EénVandaag, 18 maart 2008.