Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
271
Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan
de ministers van Justitie en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het onterecht verlenen van een ontheffing voor het gebruik van restlichtversterkers. (Ingezonden 22 augustus 2008)
1
Kent u de brief d.d. 1 juli 2008 van de provincie Gelderland aan de faunabeheereenheid
Veluwe1, waaruit blijkt dat het toelaten van restlichtversterkers
bij het schieten van wilde zwijnen in strijd moet worden geacht met de Benelux
beschikking van 24 september 1984, waarin limitatief wordt opgesomd welke
geweren en munitie bij het afschieten van onderscheiden diersoorten mogen
worden toegepast?
2
Is het waar dat het Faunafonds van mening is dat geen ontheffing zou mogen
worden verstrekt voor het gebruik van restlichtversterkers? Zo ja, deelt u
de mening van het faunafonds of waarom bent u het met dat advies oneens?
3
Is het waar dat van deze beschikking geen ontheffing mogelijk is? Zo neen,
waarom niet? Zo ja, waarom is dan toch in strijd met deze beschikking en in
strijd met een advies van het faunafonds gekozen voor het geven van een ontheffing?
4
Bent u van mening dat het onderscheid tussen de betekenis van het woord «jacht»
en het woord «schadebestrijding» het negeren van het verbod op
restlichtversterkers rechtvaardigt? Bent u van mening dat het verstrekken
van genoemde ontheffing overeenstemt met de bedoelingen van de Beneluxbeschikking
en is deze opvatting getoetst in Benelux-verband? Zo ja, wat waren de uitkomsten
van deze toetsing en op welke wijze werd deze uitgevoerd? Zo neen, welke conclusie
trekt u daaruit ten aanzien van genoemde ontheffing?
5
Bent u van mening dat het stelselmatig decimeren van een populatie in
het wild levende dieren, waarbij 90% van een soort wordt afgeschoten,
te omschrijven valt als «schadebestrijding»? Welke zijn de sociale
gevolgen van het decimeren van de populatie wilde zwijnen in relatie tot de
schade die zwijnen zouden aanrichten? Kunt u ook specifiek aangeven in hoeverre
onderzoek is verricht naar de gevolgen van het verstoren van sociale verbanden
in relatie tot schade aan landbouw, natuur of gevolgen voor de verkeersveiligheid?
6
Is onafhankelijk onderzoek verricht naar de gevolgen van het afschieten
in de nachtelijke uren in termen van verkeersveiligheid en onrust voor de
fauna? Zo neen, bent u bereid alsnog dergelijk onafhankelijk onderzoek te
laten verrichten?
7
Bent u bereid het gebruik van restlichtversterkers tijdens het afschot
van wilde zwijnen te verbieden zolang geen helderheid bestaat over de uitleg
van het (ook volgens het faunafonds) niet voor ontheffing vatbare verbod op
restlichtversterkers in Benelux verband? Zo neen, waarom niet?
8
Wat zijn de duurzame te verwachten effecten op de populatie-opbouw van
zwijnen op de Veluwe (geslachtsverhoudingen, populatiedynamiek, trekgedrag)
en daarmee samenhangende schade-incidentie?
9
Acht u het «romantisch uitleggen» van een Beneluxbeschikking,
waarvoor ook naar de mening van het Faunafonds geen ontheffing kan worden
verleend, wenselijk en te rechtvaardigen? Deelt u de mening dat het negeren
van een advies van het Faunafonds met betrekking tot internationale afspraken
de geloofwaardigheid en de autoriteit van dit adviesorgaan aantast? Zo neen,
waarom niet?
Antwoord
Antwoord van minister Verburg (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit),
mede namens de minister van Justitie. (Ontvangen 13 oktober 2008),
zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 3544, vergaderjaar 2007–2008
2, 3, 7 en 9
Op grond van de Flora- en faunawet gelden verboden ten aanzien van het
gebruik van bepaalde middelen voor het vangen en doden van dieren. De wet
biedt ook een ontheffingsmogelijkheid ten aanzien van het gebruik van deze
middelen (artikelen 68 en 72). Van deze ontheffingsmogelijkheid kan uiteraard
geen gebruik worden gemaakt als dat in strijd is met internationaalrechtelijke
verplichtingen. Het Faunafonds heeft Gedeputeerde Staten (GS) van Gelderland
gewezen op een verplichting die Nederland in Benelux-verband is aangegaan.
Het gaat hierbij om het in genoemde Benelux-beschikking1 opgenomen
verbod om bij de jacht gebruik te maken van geweren voorzien van een vizier
met een beeldomzetter of elektronische beeldversterkers, zoals de restlichtversterker.
De Benelux-beschikking kent voor restlichtversterkers geen mogelijkheid om
van dit verbod af te wijken. Ook betekent dat in dit geval dat op grond van
de Flora- en faunawet geen ontheffing kan worden verleend. Het is aan GS om
op grond van de bij wet toegekende bevoegdheden en met inachtneming van het
recht, gestelde doelen met betrekking tot de zwijnenpopulatie te realiseren.
De rechter beoordeelt of GS daarbij het recht op juiste wijze toepast.
4
Enkele dagen voorafgaand aan de ontheffingsverlening is in een uitspraak
van het Benelux-Gerechtshof2 naar aanleiding van door de Hoge
Raad gestelde vragen, verduidelijkt dat het begrip «jacht» –
zowel in de Benelux-Overeenkomst als in de daarop gebaseerde Beschikking –
ook omvat het afschot ter bestrijding van schade. Met de uitspraak is vast
komen te staan dat het onderscheid niet kan leiden tot ontheffing van het
verbod op de restlichtversterker in afwijking van de Benelux-beschikking.
5
Het reguleren van de populatieomvang van het wild zwijn, is aangewezen
als belang op grond waarvan ontheffing kan worden verleend tot het afschieten
van een deel van de populatie wilde zwijnen. Echter met dien verstande dat
ontheffing slechts kan worden verleend indien de aanleiding is gelegen in
de schadehistorie ter plaatse en van het omringende gebied of de maximale
populatieomvang in relatie tot de draagkracht van het gebied waarin de dieren
zich bevinden. Een en ander is in kaart gebracht in het faunabeheerplan Veluwe
dat door GS van Gelderland is goedgekeurd. Mede op basis van dit plan is ontheffing
tot afschot verleend.
Niet bekend is wat de sociale gevolgen van afschot voor wilde zwijnen
zijn, wel dat afschot onvermijdelijk is. Op basis van weidelijkheidsregels
worden jagers aangesproken het verstoren van sociale verbanden waar mogelijk
te voorkomen. Zie ook mijn antwoorden op eerdere Kamervragen3.
6
Het afschot van wilde zwijnen, met of zonder gebruik van de restlichtversterker,
vindt plaats in de avonduren: in de schemering en bij maanlicht. Wat betreft
onderzoek naar de invloed van afschot op de verkeersveiligheid en de verstoring
van fauna, verwijs ik naar mijn antwoorden op eerdere Kamervragen4.
8
Het gebruik van de restlichtversterker is slechts in zoverre van invloed
op de populatie-opbouw van wilde zwijnen, dat het vermogen van de schutter
om onderscheid te maken tussen de geslachten en leeftijdscategorieën
ondersteund wordt.
XNoot
1 Zaaknummer 2005-003309.
XNoot
1 Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische
Unie strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en
munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten.
XNoot
2 Arrest A 2007/1/10.
XNoot
3 Aanhangsel Handelingen, 2007–2008, nr. 2448.
XNoot
4 Aanhangsel Handelingen, 2007–2008, nr. 2742.