Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-20091369

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1369

Vragen van de leden Omtzigt, Willemse-Van der Ploeg en Van Vroonhoven-Kok (allen CDA) aan de minister van Justitie en de staatssecretarissen van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over vrijwilligerswerk en maatschappelijke organisaties. (Ingezonden 31 december 2008)

1

Hebt u kennisgenomen van het rapport van de International Labour Organization en de John Hopkins Universiteit, waarin 36 landen vergeleken worden en Nederland van die landen de hoogste toegevoegde waarde kent van vrijwilligerswerk en tevens op de eerste plaats komt wat betreft werkgelegenheid bij «civil society organizations»?1

2

Deelt u de mening dat deze organisaties de ruggengraat van onze samenleving zijn?

3

Welke stappen onderneemt u om het werk van deze organisaties te vergemakkelijken en hun status als maatschappelijke onderneming goed te verankeren in het Burgerlijk Wetboek?

4

Deelt u de mening dat Nederland in ieder geval vanuit de huidige 14e plaats moet streven naar een plaats in de top 10 als het gaat om gulste gevers aan vrijwilligersorganisaties?

5

Deelt u de mening dat verenigingen en vrijwilligersorganisaties zoveel mogelijk gevrijwaard dienen te zijn van onnodige overheidsbemoeienis? Bent u bereid om voor 1 april 2009 met deze organisaties in overleg te treden en dan met een voorstel voor de Specifiek Nut Beogende Instelling (SNBI)-status te komen?

6

Onder welke omstandigheden wordt de vrijwilligersverklaring geaccepteerd als gift en onder welke omstandigheden niet, gelet op het feit dat belastinginspecteurs hier verschillend mee omgaan?2

7

Neemt Nederland actief deel aan het vergelijkbaar maken van de hoeveelheid vrijwilligerswerk zodat landen van elkaar en van elkaars data kunnen leren? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit?

Antwoord

Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie), mede namens de staatssecretarissen van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 28 januari 2009) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 1311

1

Ja.

2

Zoals ook vermeld in de (VWS-)beleidsbrief Mantelzorg en Vrijwilligerswerk 2008–2011 «Voor Elkaar» van 9 oktober 2007 (kamerstukken TK 2007, 30 169, nr. 11) zijn vrijwilligersorganisaties onmisbaar in onze samenleving. Vrijwilligers dragen in belangrijke mate bij aan de zelfredzaamheid en participatie van anderen. Ook dragen zij bij aan verbinding, aan het vergroten van de onderlinge betrokkenheid en sociale samenhang in onze maatschappij.

3

Het ondersteunen van vrijwilligers(organisaties) dient vooral op lokaal niveau plaats te vinden.

Dit kabinet versterkt de lokale ondersteuning van vrijwilligers door gemeenten hiervoor meer handvatten te bieden. Staatssecretaris Bussemakers heeft bijvoorbeeld in samenwerking met het vrijwilligersveld en gemeenten basisfuncties opgesteld voor de ondersteuning van vrijwilligers.

Met behulp van een adviseurstraject zullen gemeenten geholpen worden bij de implementatie van deze basisfuncties. In de beleidsbrief Mantelzorg en Vrijwilligerswerk 2008–2011 «Voor Elkaar» van 9 oktober 2007 bent u hierover geïnformeerd. Ook ontvangen gemeenten sinds 2008 middelen van het Rijk om een makelaarsfunctie op te zetten voor vrijwilligerswerk én voor de maatschappelijke stage. Verder kunnen landelijke vrijwilligersorganisaties voor bepaalde vormen van deskundigheidsbevordering een beroep doen op de (landelijke) regeling deskundigheidsbevordering. Daarnaast subsidieert Staatssecretaris Bussemakers het kennisinstituut Movisie om kennis die ten goede komt aan het vrijwilligersveld te verzamelen en verspreiden.

Ook adviseert Movisie gemeenten en vrijwilligersorganisaties over de toepassing van deze kennis.

Een wetsvoorstel tot vaststelling van regels inzake de stichting of vereniging tot instandhouding van een maatschappelijke onderneming in het Burgerlijk Wetboek ligt voor advies bij de Raad van State en zal naar verwachting binnen enkele maanden bij de Tweede Kamer worden ingediend. Of de organisaties waar het hier om gaat deze rechtsvorm aannemen is een beslissing die aan hen zelf is voorbehouden.

4

Het klopt dat Nederland op de 14e plaats staat als het gaat om gulste gevers aan vrijwilligersorganisaties. Eerst wil ik echter stilstaan bij twee andere bevindingen uit het onderzoek. Ik ben verheugd dat Nederland de hoogste toegevoegde waarde van vrijwilligerswerk kent. Ook ben ik blij dat Nederland in de top 10 (nummer 6) staat voor wat betreft het percentage volwassenen dat vrijwilligerswerk verricht. Het bevorderen van participatie is immers een belangrijke doelstelling van dit kabinet.

Giften kunnen bijdragen aan het goed functioneren van vrijwilligersorganisaties. Daarom is in de Wet inkomstenbelasting 2001 een giftenaftrekregeling opgenomen, waarin is vastgelegd dat eenmalige en periodieke giften aan algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar zijn. Periodieke giften zijn ook aftrekbaar als deze worden gedaan aan niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen of daarvan vrijgestelde verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en met ten minste 25 leden, gevestigd in de EU, de Nederlandse Antillen, Aruba of een aangewezen mogendheid. In de Successiewet is bovendien een vrijstelling voor ANBI’s opgenomen waardoor deze instellingen geen schenkingsrecht, successierecht en recht van overgang verschuldigd zijn. Met ingang van 1 januari 2009 is daaraan een vrijstelling toegevoegd voor amateursportverenigingen en -stichtingen en voor niet-commerciële dorpshuizen. Wij vertrouwen erop dat deze faciliteiten een positieve bijdrage leveren aan de financiële positie van maatschappelijke organisaties.

5

Ik deel de mening dat verenigingen en vrijwilligers zoveel mogelijk gevrijwaard dienen te zijn van onnodige overheidsbemoeienis. Het kabinet heeft dan ook het thema «meer ruimte voor vrijwilligers» opgenomen in de top 10 van aan te pakken knelpunten voor burgers. In dat kader is per 1 januari jongstleden € 4 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd. Met dat geld kunnen gemeenten vrijwilligers verzekeren en kan deze administratieve last bij vrijwilligers verdwijnen. Binnenkort ondertekenen BZK, VWS en de VNG een convenant met als doel dat alle gemeenten voor hun vrijwilligers een verzekering afsluiten.

Verder start de Staatssecretaris van BZK op 5 februari 2009 met een op gemeenten gericht implementatietraject «vermindering regeldruk voor vrijwilligers». Dit traject beoogt de regeldruk onder vrijwilligersorganisaties concreet en merkbaar te verminderen op het gebied van vergunningen en subsidiebeleid. Ook zullen de deelnemende gemeenten ondersteund worden bij het instellen van een vrijwilligersloket. Door deze maatregelen vinden vrijwilligers sneller de weg bij hun gemeente, wordt de overheidsbemoeienis verminderd en zal het gemakkelijker en goedkoper worden om een evenement te organiseren.

Vrijwilligersorganisaties profiteren ook van de lastenreductie die bereikt is in het kader van de dereguleringslag van de VNG in samenwerking met gemeenten.

Zo zijn in de model-APV kleine evenementen, optochten en collectes vergunningsvrij. Het kabinet roept gemeenten verder op om de modelverordeningen van de VNG over te nemen omdat dit werkelijk bijdraagt aan merkbare regeldrukvermindering voor burgers en vrijwilligersorganisaties.

Zoals reeds aan de orde is geweest bij de behandeling van het Belastingplan 2009 in de Tweede Kamer (Kamerstukken TK 2008/09, 31 704, nr. 57) en Eerste Kamer (Kamerstukken EK 2008/09, 31 704, 31 705 en 31 717, D, bladzijde 5) zal onderzocht worden welke instellingen onder welke voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor fiscale tegemoetkomingen in de Successiewet. De uitkomsten van dit onderzoek zullen in de eerste helft van het jaar 2009 bij het wetsvoorstel tot herziening van de Successiewet gepresenteerd worden. Uiteraard is het kabinet bereid in het kader van het onderzoek in overleg te treden met landelijke organisaties die de vrijwilligersorganisaties vertegenwoordigen.

6

Om de hoogte van de giften op te voeren, zijn sommige organisaties overgegaan tot het opmaken van zogenoemde vrijwilligersverklaringen.

Met een dergelijke verklaring probeert men te bereiken dat de vrijwilligers de niet-ontvangen vrijwilligersvergoeding als gift kunnen aftrekken. In bepaalde gevallen wordt in de verklaring ook vastgelegd dat de vrijwilliger het hierdoor behaalde belastingvoordeel zal afstaan aan de ANBI. Deze handelwijze zal echter niet tot de beoogde gevolgen kunnen leiden als de vrijwilliger in feite geen recht heeft op uitbetaling van de vergoeding. Bij deze mogelijkheid is het van belang dat de vrijwilliger de vergoeding ook krijgt indien hij niet bereid is deze vergoeding terug te storten. Er moet dus daadwerkelijk sprake zijn van het afzien van de vergoeding. De inspecteur van de Belastingdienst is bevoegd hierover een standpunt in te nemen.

7

Ja. Nederland is actief in het onderling vergelijkbaar maken van de resultaten van onderzoek naar vrijwilligerswerk in de lidstaten van de EU. Eurostat heeft in samenwerking met een groep tijdbestedingsonderzoekers uit verschillende Europese landen, waaronder uit Nederland, een uniforme onderzoeksmethodiek ontwikkeld, de zogenaamde Harmonised European Time Use Survey (HETUS) richtlijnen. Een uniforme onderzoeksmethode is een primaire voorwaarde voor het verkrijgen van internationaal vergelijkbare gegevens. Lidstaten zijn niet verplicht hun tijdbestedingsonderzoek volgens deze HETUS-richtlijnen uit te voeren, maar sinds eind jaren negentig hebben al zo’n 16 van de 27 lidstaten dit gedaan (enige uitvoeringsverschillen daar gelaten). Ook Nederland heeft in 2006 voor het eerst een tijdbestedingsonderzoek op deze manier uitgevoerd. Op dit moment is het dus mogelijk om de Nederlandse data omtrent vrijwilligerswerk met andere Europese landen te vergelijken. Over deze en vele andere vormen van tijdbesteding verwacht het SCP nog voor de zomer een publicatie uit te brengen waarin de Nederlandse gegevens worden vergeleken met die van andere Europese landen.


XNoot
1

 John Hopkins Comparative Nonprofit Sector Project, http://www.jhu.edu/cnp/research/compdata.html

XNoot
2

 http://www.vrijwilligersbaarn.nl/voor_vrijwilligers/informatie_en_documentatie/artikelen_voor_vrijwilligers/2