Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
310
Vragen van de leden De Nerée tot Babberich, Omtzigt
en J. Kortenhorst (allen CDA) aan de staatssecretaris en minister
van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over Nederlandse pensioenfondsen en de vrijstelling van omzetbelasting. (Ingezonden 5 september 2007)
1
Hebt u kennisgenomen van de berichtgeving over Nederlandse pensioenfondsen
en de vrijstelling van omzetbelasting over beheersdiensten?1
2
Is het waar dat België, Luxemburg en Ierland een andere interpretatie
geven aan de EU-regelgeving op dit punt dan Nederland?
3
Zijn zowel de Nederlandse opvatting als de opvatting van de andere landen
in overeenstemming met het EG-recht ?
4
Waarom is de Nederlandse regering tegen voorstellen van de Europese Commissie
op dit vlak die beogen een gelijk speelveld te creëren ?
5
Hoe verhoudt de opstelling van het kabinet op dit punt zich met de ook
door het kabinet onderschreven doelstellingen van de Stichting Holland Financial
Centre ?
6
Heeft het kabinet de voorkeur voor buitenlandse pensioenfondsen in Nederland
of buitenlandse en Nederlandse pensioenfondsen in België ?
Antwoord
Antwoord van minister Bos (Financiën) en staatssecretaris De Jager (Financiën), mede namens de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. (Ontvangen 18 oktober 2007)
2 t/m 4
Pensioenfondsen zijn als verzekeraar vrijgesteld van BTW-heffing voor
hun prestaties aan de verzekerden. Deze vrijstelling is gegrond op artikel
135, lid 1, punt a, van de BTW-richtlijn die de handelingen op het gebied
van verzekeringen en herverzekering vrijstelt. Het beheer van de beleggingen
van een pensioenfonds door een vermogensbeheerder jegens het pensioenfonds
is sinds de introductie in 1992 van de betreffende bepalingen in onze nationale
wetgeving nadrukkelijk uitgesloten van de BTW-vrijstelling. Bij pensioenfondsen
bestaat thans de wens om dat beheer niet langer te belasten maar te rangschikken
onder de vrijstelling voor beheerders van gemeenschappelijke beleggingsfondsen
zoals neergelegd in artikel 135, lid 1, punt g, van de BTW-richtlijn. Deze
gedachte lijkt, gezien ook de jurisprudentie1 op dit terrein,
op gespannen voet te staan met de reikwijdte van deze vrijstelling. Dat neemt
echter niet weg dat een beperkt aantal EU-lidstaten de reikwijdte van de vrijstelling
inderdaad anders interpreteert.
Juist het feit dat lidstaten de vrijstelling voor financiële- en
verzekeringsprestaties zoals neergelegd in artikel 135, lid 1, punten a t/m
g, van de BTW-richtlijn op verschillende wijzen toepassen, alsmede het feit
dat de ter zake door het Europese Hof van Justitie gewezen jurisprudentie
niet altijd door de lidstaten uniform wordt geïnterpreteerd, is voor
de Europese Commissie aanleiding geweest de bestaande vrijstelling te herijken.
De huidige Europese definitie van de vrijstelling stamt uit 1977 en is gezien
de huidige economische realiteit en het grote en toenemende aantal verschillende
bancaire- en verzekeringsproducten deels achterhaald.
De Europese Commissie bereidt daarom een concept-richtlijnvoorstel inzake
de vrijstelling voor financiële- en verzekeringsprestaties voor teneinde
de vrijstelling beter te omlijnen en een gelijk speelveld tussen de lidstaten
te creëren. Het is daarbij de bedoeling om in een concept-verordening
preciezer aan te geven welke financiële- en verzekeringsprestaties wel
of niet onder de vrijstelling vallen.
De Nederlandse regering hecht bijzonder veel waarde aan BTW-harmonisatie
en concurrentieneutraliteit. Nederland steunt de gedachte van de Europese
Commissie om de vrijstelling te herijken dan ook nadrukkelijk. In de komende
onderhandelingen over het – naar verwachting – spoedig uit te
brengen richtlijnvoorstel van de Europese Commissie zal de Nederlandse regering
er tevens op blijven aandringen dat de geconstateerde praktijkverschillen
zo spoedig mogelijk dienen te verdwijnen. Vanzelfsprekend zal het kabinet
tijdens die onderhandelingen het belang van het Nederlandse vestigingsklimaat
nadrukkelijk in ogenschouw nemen en daarbij ook rekening houden met de mogelijk
aanzienlijke budgettaire consequenties van het voorstel.
Ter voorkoming van enig misverstand wijs ik erop dat de vrijstelling uiteraard
wel van toepassing is, indien twee of meer pensioenfondsen (of andere institutionele
of andere beleggers) een (deel van) hun vermogen onderbrengen in een afzonderlijk
fonds (pooling) dat kwalificeert als beleggingsinstelling in de zin van de
Wet op het financieel toezicht of daarmee vergelijkbaar is in de zin dat daadwerkelijk
collectief wordt belegd in onderliggende waarden en ook gezamenlijk risico
wordt gelopen. In dat geval geldt dat vermogen in het fonds als ter collectieve
belegging bijeengebracht vermogen en is het beheer ervan – gelet op
de tekst van de vrijstelling in artikel 11, eerste lid, onderdeel i, 3e Wet
Omzetbelasting 1968 – vrijgesteld. In de praktijk komt deze toepassing
voor en draagt deze bij aan de verbetering van het Nederlandse vestigingsklimaat.
5
De Stichting Holland Financial Centre richt zich op het in stand houden
van een sterke, open en internationaal concurrerende financiële sector
in Nederland. Het streven naar een gelijk internationaal speelveld sluit naadloos
aan op deze doelstelling en maakt dat een sterke en concurrerende financiële
sector zich ook vertaalt in het aantrekken van activiteiten en werkgelegenheid.
6
Het kabinet is actief bezig om Nederland als vestigingsland voor financiële
instellingen (waaronder ook de pensioenfondsen vallen) aantrekkelijk te maken.
In het actieplan «The Netherlands: International Financial Centre»
dat op 7 september 2007 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II
2006/07, 31 064, nr 5) en de brief van de Minister van SZW aan de Tweede
Kamer van 15 augustus 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 28 294, nr 30) is
aangegeven wat in dat verband wordt gedaan. Zoals ook in laatstgenoemde brief
is aangegeven is het besluit om een regeling onder te brengen bij een pensioeninstelling
in een andere lidstaat altijd een gezamenlijk besluit van werkgevers en werknemers.
Daarbij is er op gewezen dat als een Nederlandse pensioenregeling in een andere
lidstaat wordt ondergebracht het Nederlandse sociaal en arbeidsrecht onverkort
van toepassing blijft, waarbij ten aanzien van verschillen in de financiële
toezichtregimes is geconcludeerd dat de aard van de overeengekomen afspraken
uiteindelijk de prijs van de pensioenregeling bepaalt en niet het toezichtregime.
XNoot
1 Het Financieele Dagblad, 3 september 2007.
XNoot
1 Rechtbank Breda nr. 05/04159, d.d. 6 april 2006 en nr. 06/453, d.d.
30 oktober 2006.EG-Hof zaak C-169/04 (Abbey National), d.d. 4 mei 2006, EG-Hof
zaak C-363/05 (JP Morgan), d.d. 28 juni 2007.