Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2007-2008
Aanhangselnummer 1764

Gepubliceerd op 1 april 2008



Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1764

Vragen van het lid Karabulut (SP) aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Financiën over het gemakkelijk kunnen lenen en kopen op afbetaling. (Ingezonden 4 maart 2008)

1

Wat is uw reactie op de uitzending van Zembla waaruit blijkt dat lenen en kopen op afbetaling makkelijk is?1

2

Wat is uw oordeel over de uitzending van Zembla waaruit blijkt dat er niet altijd goed gecontroleerd wordt of mensen wel in staat zijn een lening terug te betalen?

3

Deelt u de mening dat naast een eigen verantwoordelijkheid van mensen ook kredietverstrekkers een verantwoordelijkheid hebben om overkreditering te voorkomen? Zo ja, welke verantwoordelijkheden zijn dit en is dit wettelijk gewaarborgd? Zo neen, waarom niet?

4

Aan welke wettelijke voorwaarden moeten kredietverstrekkers in het kader van de kredietwaardigheidstoets nu precies voldoen als zij een krediet verstrekken?

5

Worden er in het kader van de kredietwaardigheidstoets wettelijke grenzen gesteld aan het inkomen van de kredietnemer? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo neen, vindt u dit wenselijk?

6

Acht u het mogelijk dat met de huidige wetgeving kredietverstrekkers een krediet kunnen verstrekken aan iemand die al een schuld heeft? Zo ja, vindt u dat wenselijk? Zo neen, kunt u dat toelichten?

7

Deelt u de mening dat kredietverstrekkers onafhankelijk vastgestelde normen zouden moeten hanteren bij het verstrekken van een krediet om overkreditering te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo neen, waarom niet?

8

Wat is uw oordeel over de uitzending van Zembla waaruit blijkt dat wie eenmaal in de schulden zit, niet altijd bij de kredietbank of gemeentelijke schuldhulpverlening terecht blijkt te kunnen?

9

Hoe hoog zijn de wachtlijsten voor gemeentelijke schuldhulpverlening en hoe lang moeten mensen gemiddeld wachten?

10

Welke maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat mensen hulp zoeken bij malafide schuldhulpverleners?

11

Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de Fiod naar Vespa?

12

Kunt u garanderen dat het budget voor schulden dat in het Gemeentefonds is gestort besteedt wordt aan schuldhulpverlening? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo neen, bent u bereid dit geld alsnog te oormerken?

Toelichting:

Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Blanksma-van den Heuvel, ingezonden 19 februari 2008 (vraagnummer 2070812110).

Antwoord

Antwoord van staatssecretaris Aboutaleb (Sociale Zaken en Werkgelegenheid), mede namens de minister van Financiën en de staatssecretaris van Economische Zaken. (Ontvangen 25 maart 2008)

1

Het relatieve gemak waarmee consumenten in bepaalde situaties goederen op afbetaling kunnen kopen (goederenkrediet), heeft het kabinet al langer in het vizier. Dat is precies de reden dat het kabinet in 2007 in snel tempo een evaluatieonderzoek heeft laten uitvoeren, waarin de effectiviteit van de regelgeving voor krediet (waaronder ook goederenkrediet) kritisch is bezien. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft het kabinet in de brief van 19 oktober 2007 een breed pakket van maatregelen aangekondigd. Deze maatregelen houden onder meer in dat de kredietregels op een aantal belangrijke punten verder zullen worden aangescherpt.

Op dit moment zijn kredietaanbieders bij alle vormen van krediet, dus ook bij het kopen van goederen op afbetaling, al bij wet verplicht om een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en een kredietprospectus beschikbaar te hebben. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen.

Een van de aangekondigde maatregelen in de brief van 19 oktober 20071 betreft een betere invulling door de branche van de kredietwaardigheidstoets.

Dit betreft allereerst de aangekondigde uitbreiding en verbetering van de schulden- en kredietregistratie, waardoor de kredietwaardigheidstoets verder wordt versterkt. Naast de bestaande kredietregistratie door Stichting BKR zullen in het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS) ook achterstanden van betaling aan woningcorporaties, energiebedrijven, sociale diensten, Leger des Heils en kredietbanken worden geregistreerd. In de toekomst zullen hieraan andersoortige betalingsachterstanden worden toegevoegd. Daartoe zal Stichting LIS onder voorwaarden toegang krijgen tot de GBA. Om de kwaliteit van de kredietregistratie verder te verbeteren, krijgt ook Stichting BKR onder voorwaarden toegang tot de GBA.

Daarnaast hebben zowel de Vereniging van Financieringsondernemingen Nederland (VFN) als de Nederlandse Thuiswinkelorganisatie (NTO) nieuwe strengere gedragscodes vastgesteld, ter invulling van de open norm voor verantwoorde kredietverstrekking. In een aantal gevallen kost de implementatie van de strengere criteria voor de thuiswinkelorganisaties enige tijd, omdat geavanceerde systemen moeten worden aangepast. Ook de cardmaatschappijen die aankopen van goederen «op de winkelvloer» financieren zullen vanaf 1 maart 2008 strengere criteria toepassen. Dit betekent dat meer relevante informatie moet worden ingewonnen en strenger moet worden getoetst of het netto-inkomen van de consument voldoende is om de lening aan te kunnen.

De situatie die in de Zembla-uitzending werd getoond – waarbij een persoon door enkel het opgeven van de marge waarbinnen zijn inkomen ligt een lening krijgt –, zal niet meer mogen voorkomen op basis van de normen waaraan kredietverstrekkers zich zullen conformeren. Het netto-inkomen zal preciezer moeten worden vastgesteld. Ook de gezinssamenstelling, woonlasten, eventuele alimentatie en bestaande financieringslasten zullen dan van belang zijn.

Daarnaast zal de AFM in 2008 een follow-up onderzoek uitvoeren naar verantwoorde kredietverstrekking. Dit onderzoek zal zich onder meer richten op de naleving van de aangescherpte criteria. Ook goederenkrediet zal in dit onderzoek worden betrokken.

Een andere aangekondigde maatregel betreft het informatiestatuut. Op grond van de huidige wetgeving zijn kredietaanbieders en -bemiddelaars al verplicht om vóór het aangaan van een lening een kredietprospectus aan de consument te verstrekken. Beschikt een kredietaanbieder over een website, dan mag hij het prospectus op de website beschikbaar houden en moet hij het document op verzoek van de consument – kosteloos – verstrekken.

Het kredietprospectus bevat (deels) gestandaardiseerde informatie over de meest relevante kenmerken van het aangeboden krediet (looptijd, kosten etc.). Deze informatie stelt de consument in staat om inzicht te krijgen in het kredietproduct en dit product te vergelijken met andere kredietproducten. Of de consument deze informatie daadwerkelijk gebruikt, behoort tot zijn eigen verantwoordelijkheid. Met de implementatie van de nieuwe richtlijn Consumentenkrediet wordt het prospectus vervangen door een zogenaamd «informatiestatuut». Dit informatiestatuut, dat altijd vooraf en schriftelijk of op een andere duurzame drager (bijvoorbeeld een diskette) aan de consument moet worden verstrekt, bevat de informatie die toegesneden is op het krediet dat de consument verlangt. Voorwaarde voor duurzame dragers is dat de informatie moet kunnen worden opgeslagen en dat ongewijzigde reproductie van de opgeslagen informatie mogelijk is. Hoewel het maken van afzonderlijke informatiestatuten per consument tot meer administratieve lasten zal leiden, wordt verwacht dat op maat gesneden informatie vooraf, de consument beter inzicht geeft in onder andere de kosten van een krediet.

2

Deze problematiek is mij bekend. In januari 2007 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat er teveel sprake is van het onverantwoord verlenen van krediet (TK 2006–2007, 29 942, nr. 37). Hierbij is ook aangegeven dat deze situatie zorgwekkend is. Het afgelopen jaar is daarom, zoals ook uit de bovenstaande beantwoording blijkt, ingezet op een veel betere naleving van de open norm. Dit begint inmiddels effect te krijgen.

3

Ik deel deze mening zeker. Zoals ook uit het EIM-onderzoek van september 2007 blijkt, zijn er risicoconsumenten die, zeker naarmate de schulden groter worden, hun grip op de situatie kwijtraken. Ook kredietverstrekkers hebben een verantwoordelijkheid deze personen te stoppen in hun onverantwoord leengedrag. De wettelijk verplichte kredietwaardigheidstoets is hiervoor het geijkte instrument. Deze toets bestaat uit twee elementen: het inwinnen van informatie over de financiële situatie van de consument en het op basis van die informatie vaststellen of kredietverstrekking verantwoord is.

4

De wettelijke verplichte kredietwaardigheidstoets is in de wet geformuleerd als een open norm. Dit betekent dat kredietverstrekkers zelf de verantwoordelijkheid hebben hieraan op een verantwoorde wijze invulling te geven. De AFM ziet erop toe dat dit ook gebeurt. Op een aantal punten geeft de wet een nadere invulling van de open norm.

• Bij kredieten vanaf € 1000 moet de kredietverstrekker beschikken over voldoende schriftelijke, of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument.

• Bij kredieten vanaf € 250 moet de kredietverstrekker een stelsel van kredietregistratie raadplegen.

5

De wet stelt geen inkomensgrenzen voor de verstrekking van krediet. Dit achten wij ook niet wenselijk. In de praktijk zullen dergelijke wettelijke normen te star zijn om tot verantwoorde kredietverlening te komen. Niet alleen het inkomen is immers van belang, maar ook andere factoren, zoals de samenstelling van het huishouden (bijvoorbeeld tweeverdieners, alleenstaande ouder), andere schulden, de vaste lasten (bijvoorbeeld alimentatiekosten, woonlasten) en het doel van de lening (bijvoorbeeld noodzakelijke of luxe goederen). Er dient ruimte te zijn om dit per geval af te wegen. Bovendien hoeft bij veranderende omstandigheden, die tot andere normen nopen, geen wetswijziging te worden afgewacht.

6

In algemene zin dient het bij de toepassing van de kredietwaardigheidtoets zwaar te wegen dat iemand al een andere schuld heeft. Ook hier geldt dat onder omstandigheden kredietverstrekking dan toch verantwoord kan zijn. Naast de hierboven genoemde factoren kan dan bijvoorbeeld ook de hoogte van die andere schuld van belang zijn.

7

Zoals hierboven staat aangegeven achten wij door de wetgever vastgestelde normen hieromtrent niet wenselijk. Desalniettemin zijn wij wel van mening dat er waarborgen moeten zijn, die ertoe leiden dat kredietverstrekkers hun verantwoordelijkheid ook waarmaken. Ten eerste bestaat er hiervoor het bovengenoemde toezicht van de AFM. Zoals aangekondigd in mijn brief van 19 oktober 2007 (TK 2007–2008, 24 515, nr. 119) wordt dit toezicht versterkt door de boete die de AFM kan opleggen te verhogen naar € 1.000.000. Ten tweede zijn er gedragscodes van de marktorganisaties, zoals de VFN en de NTO, waarin normen voor verantwoorde kredietverlening zijn vastgelegd.

Mede naar aanleiding van de bevindingen van januari 2007 heeft de AFM het afgelopen jaar met de marktorganisaties intensief overleg gevoerd wat heeft geleid tot hierboven genoemde nieuwe, strengere gedragscodes. Deze gedragscodes zijn weliswaar niet bindend voor individuele kredietverstrekkers, maar als ervan wordt afgeweken geldt het uitgangspunt dat aan de AFM moet worden aangetoond dat de kredietverstrekking toch verantwoord is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als alternatieve, adequate normen worden gehanteerd of als over specifieke consumenten aanvullende informatie wordt ingewonnen waaruit blijkt dat afwijking van de norm voor die consument verantwoord is. De AFM is en blijft als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor een goede handhaving van de norm en zal adequaat toezien.

Daarnaast wordt, zoals hierboven genoemd, de versterking van de kredietwaardigheidstoets bewerkstelligd door uitbreiding van de schuldenregistratie.

8 en 9

Het beeld van de wachtlijstproblematiek is niet eenduidig. Ik ontvang hierover verschillende signalen. Al eerder heb ik aangegeven dat er geen goed landelijk beeld bestaat van de stand van zaken rondom de minnelijke schuldhulpverlening. Dit gebrek aan landelijke (beleids)informatie maakt het lastig om in te spelen op knelpunten en duiding te geven aan dit soort signalen. Daarom ben ik een onderzoek gestart naar de effectiviteit van schuldhulpverlening. Dat onderzoek gaat onder meer in op de vragen naar de wachtlijstproblematiek bij schuldhulpverlening. Medio 2008 komen de resultaten van dit onderzoek beschikbaar. Ik zal de Kamer informeren over de onderzoeksresultaten en mijn beleidsconclusies en zonodig nieuwe maatregelen voorstellen.

In een ideale situatie zou iedereen die hulp nodig heeft deze hulp ook onmiddellijk moeten krijgen, maar de werkelijkheid is weerbarstiger, soms ligt het aan de schuldenaar, soms ligt het aan de organisatie die niet adequaat reageert. Met de VNG is in het kader van het deelakkoord participatie SZW-VNG afgesproken om de komende jaren een extra impuls te geven aan het terugdringen van het aantal huishoudens met problematische schulden. Het kabinet heeft voor dit doel tot en met 2009 een bedrag van ongeveer €65 mln beschikbaar gesteld via de algemene uitkering in het gemeentefonds. Gemeenten kunnen dit naar eigen inzicht besteden (maatwerk) en dus zonodig ook inzetten voor een snellere dienstverlening aan mensen met schulden.

10

Schuldhulpverleners die de wet overtreden kunnen strafrechtelijk worden aangepakt. Daarnaast is van belang dat momenteel wordt gewerkt aan de opstelling van normen aan de hand waarvan schuldhulpverleners zich zullen kunnen laten certificeren. Een ondernemer die aan de normen voldoet zal zich door middel van een certificaat kunnen onderscheiden van een ondernemer die niet aan de normen voldoet. Een certificaat maakt het ook voor de consument transparant of een schuldhulpverlener aan de gestelde normen voldoet. In het antwoord op een recente vraag van het lid Blanksma over hetzelfde onderwerp (TK, 2007–2008, nr. 1589 d.d. 7 maart) is uitgebreid ingegaan op de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van normen voor het certificeren van schuldhulpverleners.

11

De bedoelde zaak is in onderzoek bij de FIOD-ECD. Het proces verbaal is nagenoeg gereed en zal aan het Functioneel Parket (FP) worden gestuurd.

Het FP beslist over de verdere afhandeling van deze zaak.

12

Het rijksbeleid is erop gericht om middelen zoveel mogelijk ontschot aan de gemeenten beschikbaar te stellen. Op deze manier kunnen gemeenten maatwerk leveren en creatieve arrangementen aan hun burgers aanbieden. Het rijksbreed terugdringen van specifieke uitkeringen kan dus ook leiden tot een meer effectieve inzet van middelen voor schuldhulpverlening.

Ik heb vertrouwen in de manier waarop lokale bestuurders hiermee aan de slag gaan. In het deelakkoord Participatie van het bestuursakkoord heb ik met gemeenten afgesproken om de effectiviteit en de kwaliteit van de minnelijke schuldhulpverlening te versterken. Onderdeel van het akkoord is dat we monitoren op welke manier de afspraken uit het akkoord door de gemeente worden uitgevoerd.


XNoot
1

 Zembla, «lenen, lenen, lenen», 17 februari 2008.

XNoot
1

 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 24 515, nr. 119.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl