4, 5 en 6
Het is de taak van de overheid alert te zijn en de Nederlandse publieke
belangen te bewaken. Hierbij dient aangetekend te worden dat Nederlands beleid
moet passen binnen de kaders van de Europese Unie. In algemene zin worden
de publieke belangen in de financiële sector, waaronder de financiële
stabiliteit, geborgd door bestaande wet- en regelgeving.
Ten eerste geldt specifiek in de financiële sector dat publieke belangen
worden geborgd door middel van gedrags- en prudentieel toezicht door de AFM
en DNB. In het bijzonder geldt bovendien dat voor het houden van een gekwalificeerde
deelneming (een aandelen- of zeggenschapsbelang van 10% of meer) in
een in Nederland gevestigde bank, beurs, beleggingsonderneming, verzekeraar
of beheerder van een instelling voor collectieve belegging in effecten, goedkeuring
van de AFM, DNB óf de minister van Financiën nodig is (bijvoorbeeld
als het 1 van de 5 grootste banken of verzekeraars betreft stelt DNB een advies
op en neemt de minister van Financiën de uiteindelijke beslissing over
goedkeuring). Een dergelijke goedkeuring heeft de vorm van een zogeheten verklaring
van geen bezwaar (vvgb). Een vvgb wordt afgegeven nadat de deelneming is getoetst.
De criteria daarbij zijn, in het kort: is de aandeelhouder betrouwbaar? Is
de deelneming verenigbaar met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening
van die financiële onderneming?
Leidt de deelneming mogelijk tot een ondoorzichtige zeggenschapsstructuur
van de onderneming? Kan de deelneming negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit
van de financiële sector? Dit laatste zou het geval kunnen zijn als financiële
groepen ontstaan die qua structuur en activiteiten een te groot potentieel
risico vormen voor de stabiliteit van de financiële sector. Vanzelfsprekend
zal per geval een uiterst zorgvuldige analyse en beoordeling op bovengenoemde
criteria noodzakelijk zijn.
Ten tweede dient een (buitenlandse) investeerder, wanneer deze een belang
neemt in een Nederlandse onderneming, te voldoen aan alle eisen die het ondernemingsrecht
en het financiële toezichtrecht stelt aan in Nederland (en in sommige
gevallen in Europa) gevestigde ondernemingen en hun (potentiële) aandeelhouders.
Bovendien heeft het Kabinet voorgesteld de transparantie van de zijde van
aandeelhouders te vergroten: een verlaging van de drempel voor het melden
van zeggenschap van 5% naar 3%, introductie van een meldingsplicht
van intenties van aandeelhouders en een nieuwe regeling voor de identificatie
van aandeelhouders.
Dit betekent dat de identiteit van investeerders in een vroeger stadium
bekend wordt en er (meer) duidelijkheid zal ontstaan omtrent de bedoelingen
van aandeelhouders, waaronder staatsfondsen en -bedrijven.
Ten derde bewaken de Nederlandse Mededingingsautoriteit en de Europese
Commissie dat er voldoende concurrentie blijft bestaan op (financiële)
markten. Dit voorkomt de opbouw van te sterke machtsposities; burgers en bedrijven
moeten kunnen kiezen.
De door u aangehaalde artikelen refereren aan de ontwikkeling dat de laatste
maanden staatsfondsen (en -bedrijven) uit opkomende markten meer dan voorheen
investeren in westerse (zaken)banken. Deze ontwikkeling is deels terug te
voeren op de kredietcrisis, waardoor een aantal banken verlegen is om kapitaal.
Gegeven het feit dat staatsfondsen (en -bedrijven) uit opkomende markten hun
portefeuille willen diversifiëren en deze landen hun reserves zo meer
renderend willen inzetten, kan dit financieel aantrekkelijk zijn. Daarnaast
zijn er ook investeringen die worden gedreven door de wens voor meer toegang
tot wederzijdse (kapitaal)markten.
Voor zover deze investeringen puur kapitaalinjecties zijn, zijn ze als
positief te verwelkomen. De staatsfondsen zorgen gedurende de kredietcrisis
voor solvabiliteit en/of liquiditeit en dragen zodoende bij aan de stabiliteit
van het financiële systeem. Hoewel de staatsfondsen vooralsnog geen andere
dan zuiver financieel-economische motieven lijken te hanteren – aan
enkele investeringen in westerse banken is zelfs expliciet geen zeggenschap
verbonden – bemoeilijkt een gebrek aan transparantie en gebrek aan ervaring
met een aantal fondsen het trekken van een algemene conclusie hieromtrent.
Voor een nadere analyse en een beleidsmatige beoordeling van het fenomeen
van staatsfondsen in relatie tot strategische sectoren en de financiële
sector, verwijzen we naar de notitie staatsfondsen die we de Kamer binnenkort
zullen doen toekomen.