Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
2535
Vragen van het lid Van Velzen (SP) aan de minister van
Buitenlandse Zaken over een nucleaire deal tussen de Verenigde Staten
en India. (Ingezonden 13 augustus 2007)
1
Heeft u kennisgenomen van het «Agreement for cooperation between
the government of the United States of America and the government of India
concerning peaceful uses of nuclear energy (123 agreement)»?1 Zo ja, deelt u de constatering dat het genoemde verdrag geen enkele
melding maakt van de teruggave van nucleair materieel en de in het verdrag
genoemde uitrusting? Indien neen, waarom niet?
2
Deelt u de mening dat in het onderhavige verdrag sprake is van de opbouw
van een strategische reserve van nucleaire brandstof? Zo ja, deelt u de mening
dat dit de mogelijkheid sterk verminderd om gerichte sancties tegen het Indiase
atoomprogramma te nemen indien sprake is van kernwapentesten of het niet naleven
van IAEA (International Atomic Energy Agency) regels? Zo neen, waarom niet?
3
Deelt u de mening dat door de levering van nucleaire brandstof aan India
voor civiele doelen het land zijn eigen beperkte voorraden vrij kan maken
voor het kernwapenprogramma? Zo neen, kunt u uitleggen waarom niet? Zo ja,wat
is uw appreciatie hiervan?
4
Deelt u de mening dat dit zogenaamde 123 Agreement het Non-Proliferatie
Verdrag (NPV) ondergraaft? Zo neen, waarom niet? Bent u voorts met mij van
mening dat dit verdrag de stellingname ten opzichte van andere (mogelijke)
proliferatielanden ondergraaft door een uitzondering voor India te maken?
5
Deelt u de mening dat dit verdrag strijdig is met de verklaringen van
het hoofd van de IAEA, El Baradei, dat staten met nucleaire wapens verdergaande
ontwapeningsstappen moeten zetten, nucleaire testen permanent en juridisch
gebonden moeten beëindigen en de productie van nucleair materiaal voor
wapens moeten stoppen?2
6
Deelt u de mening dat de richtlijnen van de Nuclear Suppliers Group (NSG)
aangeven dat handel met landen die geen veiligheidsonderzoeken door de IAEA
toestaan verboden zijn? Zo ja, bent u met mij van mening dat met de huidige
richtlijnen van de NSG uitvoering van het onderhavige verdrag tussen India
en de Verenigde Staten niet mogelijk is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, kunt
aangeven hoe Nederland zal reageren op een (Amerikaans) voorstel om de NSG
richtlijnen zo aan te passen dat uitvoering van het Verdrag iet meer strijdig
met de richtlijnen zou zijn?
Antwoord
Antwoord van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken). (Ontvangen 29 augustus 2007)
1 en 2
Ja, ik heb kennis genomen van het «Agreement for cooperation between
the government of the United States of America and the government of India
concerning peaceful uses of nuclear energy». De details van de onderhandelingen
tussen de Verenigde Staten en India, noch hun beweegredenen die hebben geleid
tot het uiteindelijke onderhandelingsresultaat zijn mij bekend. Een aantal
bepalingen in het verdrag, waaronder die gericht op beëindiging van het
verdrag en verwerving van nucleaire brandstof, is op dit moment niet duidelijk.
Nadere toelichting door de betrokken verdragspartijen is noodzakelijk om een
compleet beeld te krijgen van het verdrag. Daarna kan een volledige analyse
van het onderhavige verdrag worden opgesteld.
3
Ja, ook ik ben van mening dat door de levering aan India van nucleaire
brandstof (en uranium) voor civiele doelen het land zijn eigen beperkte voorraad
uranium kan vrijmaken voor de productie van splijtstoffen voor het kernwapenprogramma.
Zoals al door mijn voorganger gesteld in zijn brief van 5 juli 2006 (kamerstuk
21 501-02, nr. 692), is dit voor Nederland een punt van zorg en is herhaaldelijk
in diplomatieke contacten met India en de Verenigde Staten de wens geuit dat
India een moratorium op de productie van splijtstoffen voor ontploffingsdoeleinden
instelt. India heeft op zijn beurt herhaaldelijk laten weten niet van plan
te zijn een unilateraal moratorium in te stellen, maar dat het wel bereid
is om in multilateraal kader te werken aan de totstandkoming van een verdrag
inzake de stopzetting van de productie van dergelijke splijtstoffen. Dit gegeven
vormt een extra aansporing voor Nederland zich ervoor in te blijven zetten
dat wordt begonnen met onderhandelingen over een dergelijk verdrag.
4 en 5
Zoals gesteld in mijn antwoord op vragen 1 en 2, ben ik op dit moment
nog niet in staat om een volledige analyse van het verdrag te maken. Ook vormt
de nog te sluiten waarborgenovereenkomst tussen India en het IAEA een wezenlijk
onderdeel van de nucleaire afspraken tussen de VS en India. Een analyse van
het verdrag en de waarborgenovereenkomst is nodig om een volledige appreciatie
van de mogelijke effecten van de civiele nucleaire samenwerking tussen India
en de VS te kunnen geven.
In algemene zin geldt dat stellingname ten opzichte van landen met kernwapens
en (mogelijke) proliferatielanden van geval tot geval op basis van de specifieke
merites bepaald moet worden.
6
De richtlijnen van de NSG bepalen dat voor leveranties van gevoelige nucleaire
goederen en technologieën (de «Trigger List»)1
aan niet-kernwapenstaten het ontvangende land in beginsel een volledige waarborgenovereenkomst
met het IAEA moet hebben gesloten – dat wil zeggen inspecties door het
IAEA op het gehele grondgebied moet toestaan. Voor de leverantie van nucleair
gerelateerde goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik geldt
deze strikte regel niet.2
Aangezien India geen officiële kernwapenstaat is3
en geen volledige waarborgenovereenkomst met het IAEA heeft gesloten, kan
het onderhavige verdrag inderdaad niet worden uitgevoerd zonder aanpassing
van de huidige NSG richtlijnen.
Zoals al gesteld door mijn voorganger in zijn brief van 19 april 2006
(kamerstuk 21 501-02, nr. 681), bevat de beoogde civiele nucleaire samenwerking
met India positieve elementen, zoals de verdere inbedding van India in het
mondiale non-proliferatie stelsel en onderwerping van een significant deel
van zijn nucleaire activiteiten aan IAEA-supervisie. Ook komt de nucleaire
overeenkomst tegemoet aan de snelgroeiende Indiase energiebehoefte, zonder
gebruik te maken van fossiele brandstoffen. Daarom is Nederland bereid zich
constructief op te stellen in de NSG, wanneer eventuele Amerikaanse voorstellen
worden besproken om de NSG richtlijnen aan te passen. Uitgangspunt daarbij
is dat het te nemen besluit in lijn moet zijn met onze non-proliferatie verplichtingen.
XNoot
1 http://www.state.gov/r/pa/prs/ps/2007/aug/90050.htm
XNoot
2 http://www.armscontrol.org/events/20061114_India_Transcript.asp
XNoot
1 Zie document IAEA INFCIRC/254/Part 1.
XNoot
2 Zie document IAEA INFCIRC/254/Part 2.
XNoot
3 China, Frankrijk, Russische Federatie, Verenigd Koninkrijk, Verenigde
Staten.