Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
1724
Vragen van het lid Bouwmeester (PvdA) aan de ministers
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Jeugd en Gezin over de
stijging van het aantal zwakbegaafde verslaafden. (Ingezonden
16 maart 2007)
1
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Meer zwakbegaafden verslaafd»,
waarin een toename van het aantal zwakbegaafden dat verslaafd raakt wordt
gesignaleerd?1
2
Vindt u het zorgelijk dat het aantal zwakbegaafden dat verslaafd raakt
snel toeneemt? Loopt deze stijging parallel met de stijging onder het aantal «normaal
begaafde jongeren»? Bent u van mening dat deze situatie verbetering
behoeft?
3
Kunt u aangeven hoeveel verslaafde zwakzinnige jongeren in en buiten instellingen
voor licht verstandelijk gehandicapten verblijven? Zo neen, bent u van mening
dat het belangrijk is voor de aanpak van dit probleem dat er op korte termijn
duidelijkheid komt over de omvang van deze groep kwetsbare jongeren? Bent
u bereid dit probleem te onderzoeken?
4
Hoe beoordeelt u de constatering van de voorzitter van het Kenniscentrum
LVG, dat de voorlichting aan deze groep verbetering behoeft? Deelt u deze
constatering? Bent u van mening dat er aparte voorlichting voor zwakbegaafde
jongeren moet komen? Welke rol ziet u hierbij voor u zelf?
5
Hoe beoordeelt u de constatering van genoemde voorzitter dat verslavingszorg
zich geen raad weet met de zwakbegaafden?
6
Bent u van mening dat jongeren met een verslavingsprobleem, en zwakbegaafde
jongeren met een verslavingsprobleem in het bijzonder, een specialistische
aanpak nodig hebben? Bent u van mening dat de huidige, vaak op volwassen «normaal»
begaafde mensen gerichte aanpak in deze gevallen tekort schiet? Zo ja, welke
rol ziet u hierbij voor u zelf?
7
Bent u van plan bij toekomstig beleid op het gebied van de verslavingszorg
meer rekening te houden met de diversiteit binnen de groep van verslaafden,
en waar nodig apart in te gaan op de specifieke problemen van bijvoorbeeld
jongeren en zwakbegaafde jongeren?
Antwoord
Antwoord van minister Klink (Volksgezondheid, Welzijn
en Sport) en minister Rouvoet (Jeugd en Gezin). (Ontvangen
5 juni 2007)
2
Ja, dat is zeker zorgelijk. Deze stijging lijkt wel parallel te lopen
met het drankgebruik onder «normaal begaafde jongeren». Het drugsgebruik
door normaal begaafde jongeren stijgt niet, dat is al jaren vrij stabiel.
Het gebruik van verslavende middelen door zwakbegaafde jongeren is des te
riskanter, omdat ze door hun verstandelijke beperking niet goed in staat zijn
de consequenties te overzien, om maat te houden en om de druk van groepsgenoten
te weerstaan.
3
Volgens het kenniscentrum LVG zijn er enkele honderden verslaafde licht
verstandelijk gehandicapte jongeren in de LVG-instellingen. In Nederland zijn
er ongeveer 10.000 zwakbegaafde jongeren tussen de 5 en de 23 met gedragsproblemen.
Dit is de groep die waarschijnlijk gevoeliger is voor problemen met alcohol
en drugs.
4
De vorige minister van VWS heeft het Trimbos-instituut al de opdracht
gegeven om samen met een aantal instellingen voor verslavingszorg voorlichtingsfolders
te ontwikkelen speciaal gericht op LVG-jongeren. Er zijn speciale folders
over drank en over drugs. Deze zijn getest door een testteam uit de doelgroep.
Ook heeft Tactus, een instelling voor verslavingszorg in het Oosten van
het land twee voorlichtingscursussen ontwikkeld, één voor licht-verstandelijk
gehandicapte jongeren die wel eens drinken of blowen en één
meer therapeutische, voor jongeren die al verslaafd zijn.
Wij willen nog bezien welke andere goede voorbeelden er zijn van voorlichting
speciaal gericht op zwakbegaafde jongeren (zoals bijvoorbeeld seksuele voorlichting).
Misschien kan de verslavingszorg hierop aanhaken of de benaderingswijze toepassen
in het eigen voorlichtingsmateriaal.
5
Het is voor de verslavingszorg een nieuwe doelgroep en er is dus zeker
deskundigheidsbevordering nodig. Andersom geldt dat de instellingen voor LVG-jongeren
meer kennis nodig hebben over verslaving. Maar dat betekent niet dat er nog
niets gebeurt: zo is Tactus begonnen met het opzetten van een landelijke werkgroep
met instellingen voor verslavingszorg, het kenniscentrum LVG en enkele instellingen
voor LVG-jongeren.
Het Trimbos-instituut is begonnen met een literatuuronderzoek. Juist in
dit stadium is het belangrijk om kennis te vergaren en te bundelen. Daarna
kan worden begonnen met het opzetten van een gespecialiseerd hulpaanbod voor
deze doelgroep (zie het antwoord op vraag 6 en 7).
6
Ja, wij zijn van mening dat zwakbegaafde jongeren met een verslavingsprobleem
een specialistische aanpak nodig hebben. Een aantal instellingen voor verslavingszorg
maakt plannen voor een beter passend aanbod voor deze doelgroep. Wij willen
deze ontwikkeling stimuleren en wanneer er goede initiatieven zijn, zullen
wij het mogelijk maken dat er speciale afdelingen voor verslavingszorg voor
LVG-jongeren komen.
7
Ja, onder andere door de ontwikkeling van een speciaal preventie- en zorgaanbod
binnen de verslavingszorg.
De ontwikkeling in de verslavingszorg is de afgelopen jaren juist gericht
geweest op professionalisering (geprotocoleerde zorg die bewezen effectief
is) en op diversiteit. Dat wil zeggen, een gedifferentieerd zorgaanbod. Het
zorgaanbod voor verslaafde jongeren is echter nog onvoldoende. In de toekomst
zullen wij ons nog meer richten op een passend aanbod voor specifieke, kwetsbare
groepen. Jongeren zijn daarbinnen een prioriteit.
XNoot
1 Het Parool, 8 maart 2007.