Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid
Van der Ham (D66), ingezonden 2 februari 2007 (vraagnummer 2060707070).
1
Handelstechnische (on)mogelijkheden verbod op gloeilampen
Het op nationaal niveau verbieden van gloeilampen is alleen verenigbaar
met het vrije verkeer van goederen, wanneer goed rekening wordt gehouden met
de randvoorwaarden die het EG-verdrag en specifieke richtlijnen hierover stellen.
Volgens het gemeenschapsrecht staat het de lidstaten niet langer vrij om zelfstandig
eigen nationale maatregelen te treffen, indien op Europees niveau al voor
het desbetreffende onderwerp een (uitputtende) harmonisatiemaatregel is getroffen
(zaak 148/78, Ratti). Voor energieverbruikende producten, zoals gloeilampen,
treedt in augustus 2007 de Richtlijn Eco-design (2005/32/EG) in werking. De
mogelijkheden om het gebruik van gloeilampen te verbieden dan wel sterk te
beperken, moeten binnen de kaders van deze richtlijn worden gevonden. De harmonisatierichtlijn
is op dit punt uitputtend. Recent zijn de eerste stappen gezet om voor de
productgroep huishoudelijke verlichting normen te stellen. Door middel van
strenge Europese uitvoeringsmaatregelen, met strenge normen voor efficiënt
energiegebruik gebaseerd op deze richtlijn, kan het gebruik van gloeilampen
in de praktijk in Europa sterk worden ingeperkt. De Nederlandse regering zal
zich hiervoor inzetten.
Verdeling van de wetgevende bevoegdheden in de Verenigde
Staten
De verdeling van wetgevende bevoegdheden tussen de federale overheid en
de individuele staten is sinds het vaststellen van de grondwet een regelmatige
bron van discussie. Ten aanzien van de tussenstaatse handel in goederen wordt
in de US Constitution, article I, section 8, clause 3 slechts summier de wetgevende
bevoegdheid van de federale overheid ten aanzien van (de interstatelijke)
handel weergegeven. Deze bepaling staat bekend als de «Commerce Clause».
Bij conflicten over de vraag of de staten wetgevend bevoegd zijn en/of de
federale overheid, valt deze afweging in de uitspraken van het Supreme Court
de afgelopen jaren regelmatig in het nadeel uit van de federale overheid.
De federale overheid – inclusief het Supreme Court – is over het
algemeen zeer terughoudend met het treden in en beperken van de bevoegdheden
van de individuele staten.
Belangrijk in deze context is ook het tiende amendement van de «US
Constitution» dat bepaalt dat «The powers not
delegated to the United States by the Constitution, nor prohibited by it to
the States, are reserved for the States respectively, or to the people».
Overigens kunnen de deelstaten ook eigen strengere normen vaststellen,
zelfs indien op federaal niveau ook al dergelijke eisen zijn vastgesteld,
mits de federale normen niet expliciet het stellen van eigen, strengere normen
door de deelstaten verbiedt. Voor een aantal rechtsgebieden is in de «US
Constitution» wel vastgelegd dat het federale recht voorrang heeft boven
statelijke wetgeving en het federale niveau exclusieve wetgevende macht heeft
(de «Supremacy Clause»). Op andere gebieden zoals milieu en onderwijs
hebben juist de staten de belangrijkste competentie.
Vergelijking tussen de Europese Unie en de Verenigde
Staten
De situatie in de Verenigde Staten kan evenwel niet zo maar worden vergeleken
met de Europese Unie. Het EG-verdrag draagt de EG en lidstaten op om een interne
markt zonder belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen, diensten,
personen en kapitaal tussen de lidstaten te realiseren, bijvoorbeeld door
het afschaffen van de douanerechten tussen de lidstaten (artikel 25 EG) en
het afschaffen van invoerbeperkingen tussen de lidstaten (artikel 28 EG).
Het uitgangspunt is dus dat in beginsel voor het vrije verkeer van goederen
tussen de lidstaten geen belemmeringen mogen worden opgeworpen. In de Verenigde
Staten is dit geregeld in de bovengenoemde «Commerce Clause» («Interstate
Commerce Clause»).
Bovendien is er in de Verenigde Staten sprake van een relatief uitgekristalliseerde
afbakening van bevoegdheden tussen de deelstaten en de federale overheid,
terwijl bij de EG er sprake is van een meer flexibele bevoegdheidsverdeling
die gericht is op het versterken van de Europese samenwerking.
Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat het EG-verdrag expliciete opdrachten
geeft aan de Europese wetgever om op Europees niveau maatregelen vast te stellen
om bepaalde doelen te bereiken zoals de bescherming van het milieu (artikelen
174 en 175 EG) en de bevordering van de interne markt (artikel 14 EG). De
Richtlijn Eco-design (2005/32/EG) is juist een voorbeeld van de uitvoering
van deze opdracht. De «US Constitution» geeft dergelijke expliciete
opdrachten niet aan de federale wetgever.