2
Is het waar dat een kennisgroep van de Belastingdienst aan uitvoerders
van VUT-regelingen laat weten dat fiscale faciliëring van VUT-regelingen
mogelijk blijft, ook als deze regeling niet de mogelijkheid van later uittreden
met actuariële herrekening biedt? Zo ja, deelt u de mening dat dit in
strijd is met de correcte interpretatie van het amendement-Vendrik1, later vormgegeven in een nota van wijziging bij de wijziging van
de Wet arbeid en zorg in verband met het tot stand brengen van een recht op
langdurend zorgverlof2 en uiteindelijk in werking getreden
met de uitgifte van het Staatsblad 2005, 274?
1 en 2
Bij de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale behandeling
VUT/prepensioen en introductie van levensloopregeling (Stb. 2005, 115) is
een amendement ingediend (Kamerstukken II 2004/05, 29 760, nr. 30) op
grond waarvan als aanvullende voorwaarde voor de voortzetting van de fiscale
faciliëring van op 31 december 2004 bestaande regelingen voor vervroegde
uittreding is toegevoegd, dat de op 31 december 2005 nog niet lopende
uitkeringen die ingevolge deze regeling worden gedaan met inachtneming van
algemeen aanvaarde grondslagen worden herrekend ingeval deze uitkeringen later
ingaan dan op de in de regeling vastgestelde ingangsdatum. Deze voorwaarde
is overgenomen in de nota van wijziging met betrekking tot de wijziging van
de Wet arbeid en zorg in verband met het tot stand brengen van een recht op
langdurend zorgverlof (Kamerstukken 28 467, nr. 19), met dien verstande
dat deze voorwaarde in die nota van wijziging – overeenkomstig de bedoeling
van de indiener van het hiervoor genoemde amendement – is gekoppeld
aan de (op 31 december 2005 nog niet lopende) uitkeringen die ingevolge deze
regeling worden gedaan aan werknemers die voor 1 januari 2005 de leeftijd
van 55 jaar hebben bereikt. Het amendement heeft daarmee tot gevolg dat langer
doorwerken geen nadelige financiële consequenties heeft met betrekking
tot het bedrag van de in totaal te ontvangen uitkeringen. De door de kennisgroep
van de Belastingdienst uitgedragen visie is derhalve correct.
In het geval een VUT-regeling de beslissing over het moment waarop gebruik
gemaakt wordt van de regeling overlaat aan de individuele werknemer, is de
consequentie daarvan – zoals uit het voorgaande volgt – dat de
regeling aan de in het amendement Vendrik genoemde voorwaarde van actuariële
herrekening moet zijn aangepast. Is dat laatste niet het geval, dan vervalt
de fiscale faciliëring van die regeling.
Er is ook de situatie denkbaar dat in de CAO is geregeld dat een werknemer
op het moment dat deze de VUT-gerechtigde leeftijd bereikt, wordt ontslagen.
Er is in die situatie geen vrije keuze voor de werknemer om zelf te beslissen
of en zo ja, op welk tijdstip het recht op een VUT-uitkering wordt aangevraagd.
Die aspecten zijn dus voor beide partijen (werkgever en werknemer) bindend
geregeld in een CAO. Deze constructie voor pensioenontslag is bij wijze van
overgangsbepaling opgenomen in artikel 16 van de Wet gelijke behandeling op
grond van leeftijd bij arbeid.
In de Memorie van antwoord (kamerstukken I 2003–2004, 28 170,
nr. C, blz. 2) wordt de tekst en ratio van artikel 16 toegelicht.
Daarbij zijn de volgende passages van belang:
«Het amendement geeft sociale partners en individuele
werkgevers tot 2 december 2006 de tijd om in (individuele en collectieve)
arbeidsovereenkomsten en pensioenregelingen opgenomen bepalingen, waarin aan
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (verplicht) ontslag voor
werknemers is gekoppeld, aan te passen aan het wetsvoorstel. (...) Hierbij
moet worden opgemerkt dat artikel 16 alleen betrekking heeft op leeftijden
die vóór de inwerkingtreding van de wet in de (individuele of
collectieve) arbeidsovereenkomst of de pensioenregeling waren opgenomen».
Uit deze passages kan worden afgeleid dat werkgevers die vóór
1 mei 2004 een (collectieve) arbeidsovereenkomst of pensioenregeling
zijn overeengekomen met een (of meerdere) lagere pensioenleeftijd(en) dan
65 jaar, tot 2 december 2006 de tijd hebben om die bepalingen aan te passen
aan de wet. Voor (collectieve) arbeidsovereenkomsten en pensioenregelingen
die na 1 mei 2004 zijn overeengekomen geldt artikel 16 niet, ook niet als
het om een (of meerdere) pensioenleeftijd(en) gaat die herhaald worden of
worden overgenomen uit een eerdere overeenkomst of regeling.
Het Gerechtshof Arnhem heeft op 19 oktober 2004 een uitspraak gedaan
over een casus waarbij de bepaling over pensioenontslag aan de orde was en
heeft daarbij de bovenstaande zienswijze bevestigd (rolnr. 2004/567 KG).
Op grond van het bovenstaande achten wij de verwachting gerechtvaardigd
dat er in het merendeel van de VUT-regelingen wel de mogelijkheid zal zijn
opgenomen om langer door te werken dan bij het bereiken van de in die regeling
opgenomen uittreedleeftijd. Het amendement Vendrik zal derhalve bij het merendeel
van de VUT-regelingen het beoogde effect bereiken.
Het amendement Vendrik heeft geen wijziging aangebracht op de hiervoor
genoemde overgangsbepaling uit de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd
bij arbeid. Zolang het overgangsrecht van artikel 16 van de Wet gelijke behandeling
op grond van leeftijd bij arbeid van toepassing is (tot 2 december 2006) hebben
de onder dat overgangsrecht vallende werknemers geen mogelijkheid om af te
dwingen dat ze later mogen uit treden dan bij het bereiken van de in de regeling
opgenomen leeftijd. Het amendement-Vendrik verandert daar niets aan. Vanaf 2
december 2006 bestaat er voor geen enkele werknemer een belemmering om langer
door te werken.