Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
201
Vragen van het lid Gerkens (SP) aan de minister van Verkeer
en Waterstaat over spoorveiligheid. (Ingezonden 17 januari
2005)
1
Wat is uw mening over de brief van FNV Bondgenoten waarin zij aangeven
dat veel machinisten zich beledigd voelen door uw antwoorden op eerdere Kamervragen?1
2
Kunt u aangeven waarom zowel de NS, ProRail als uw ministerie wat betreft
de reactietermijn in strijd met de artikelen 69 en 70 uit de Wet Raad voor
de Transportveiligheid hebben gehandeld?2 Wat zijn de gevolgen
van dit onwettig handelen?
3
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de Raad voor de Transportveiligheid,
naar aanleiding van het ongeval bij Dordrecht in 1999, om deelrijwegen met
grote terughoudendheid in te stellen? Waarom heeft u eerder nauwelijks op
deze aanbeveling gereageerd, terwijl de Raad voor de Transportveiligheid dit
wel een belangrijk veiligheidspunt vond?
4
Kunt u aangeven welke doelen worden nagestreefd met het instellen van
deelrijwegen? Wat zijn de gevolgen van het «met grote terughoudendheid»
instellen van rijwegen? Hoe verhoudt dit zich tot de gestelde prestatie-eisen
voor de punctualiteit?
5
Wilt u het rapport van Railned Spoorwegveiligheid uit 2001 naar de Kamer
sturen?
6
Kunt u in aanvulling op uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de
leden Gerkens en Van Hijum d.d. 29 november 2004 aangeven wat de achterliggende
oorzaken van passage stoptonende seinen (STS) zijn? Zijn deze oorzaken aan
elkaar gerelateerd? Kunt u per oorzaak aangeven hoe u dit denkt aan te pakken?
7
Deelt u de mening dat een probleem in de interactie tussen mens en techniek,
ondanks het instellen van rijwegen, het verwijderen van de functie kwitering
Automatische Treinbeïnvloeding (ATB) en het gebruik van GSM mogelijk
een belangrijke oorzaak is van passage STS? Zo ja, hoe denkt u deze interactie
te kunnen verbeteren? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid een onderzoek te
laten verrichten naar deze mens-machine-interactie?
8
Is er onderzoek gedaan naar de gevolgen van het afschaffen van de ATB-kwiteerfunctie?
Zo ja, wat was de conclusie hiervan? Zo neen, bent u bereid dit onderzoek
alsnog te doen?
9
Kunt u aangeven welke deskundigen negatief hebben geadviseerd over de
mogelijkheid van het gebruik van een Specific Transmission Module (STM)? Zijn
er ook deskundigen die u wel hierover positief geadviseerd hebben? Bent u
bereid aanvullend onderzoek hiernaar te doen? Zo neen, waarom niet?
10
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 25 januari 2005 te beantwoorden, zodat
de antwoorden betrokken kunnen worden bij het Algemeen Overleg over de Kadernota «Veiligheid
op de rails» van 27 januari 2005?
Nader antwoord
Nader antwoord van minister Peijs (Verkeer en Waterstaat). (Ontvangen 25 oktober 2005), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 2391,
vergaderjaar 2004–2005
In mijn antwoord aan de Tweede Kamer op vragen gesteld door het lid van
uw Kamer Gerkens (SP) over spoorwegveiligheid (Handelingen, 2004–2005,
Aanhangsel 2391), heb ik toegezegd de vraag over de ATB kwiteerfunctie door
de sectorbrede stuurgroep STS te laten meenemen in het onderzoek naar de achterliggende
oorzaak van roodlicht passages. Inmiddels hebben medewerkers van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat hierover gesproken in het verband van de werkgroep die
onder verantwoordelijkheid van de genoemde stuurgroep is ingesteld. Ik kan
u mede op basis daarvan over de functionaliteit van de kwiteerfunctie thans
reeds navolgende informatie verschaffen.
Enkele jaren na de invoering van ATB-EG, als reactie op het spoorwegongeval
in Harmelen (1964), is de kwiteerfunctie geïmplementeerd met als doel
om de waakzaamheid van de machinist te controleren in het snelheidsgebied
tussen 0 en 40 kilometer per uur. Het kwiteren moest ervoor zorgen dat de
machinist zich voortdurend realiseerde, dat hij een rood sein nadert. Elke
twintig seconden was hij verplicht een knop te bedienen. Deze kwiteerfunctie
is echter niet effectief gebleken, omdat machinisten ondanks het kwiteren
rode seinen passeerden.
De kwiteerfunctie kende twee nadelen die afbreuk deden aan de effectiviteit
ervan:
1. Het systeem was ook werkzaam bij nadering van een geel sein in een
40 kilometer per uur gebied;
2. Het systeem bewaakte heel goed de bediening van de knop, maar bleek
geen invloed te hebben op de «mentale herkenning» van een naderend
rood sein. De beoogde verhoging van de alertheid van de machinist («ik
nader een rood sein en moet dus te allen tijde rekenen op stop») werd
sterk in twijfel getrokken.
De directie van de NS is er rond 1995, dat wil zeggen onder de oude concernverhoudingen,
toe over gegaan de kwiteerfunctie af te schaffen. Dit is gebeurd conform een
besluit van de Commissie Veiligheid Spoorwegen (CVS). In de jaren 1997 tot
begin 2004 is de kwiteerfunctie vervolgens op de verschillende materieeleenheden
buiten werking gesteld. Nieuw materieel is vanaf 1997 niet meer van een
kwiteerfunctie voorzien. De afschaffing van de kwiteerfunctie viel in de tijd
samen met de komst van de zogeheten intermitterende dodemanknop (een tijdafhankelijk
vigilantiesysteem dat ervoor zorgt dat de trein een snelremming uitvoert wanneer
de machinist onwel wordt). Dit nieuwe systeem maakte het mogelijk de vigilantie
in algemene zin, dat wil zeggen niet specifiek binnen het snelheidstraject
van 0–40 km., beter te bewaken. De machinist moet sindsdien elke 60
seconden de dodemanknop bedienen als teken van attentie. Daarvóór
was het treinmaterieel uitgerust met een continue dodemanknop. De machinist
moest een knop of pedaal met enige kracht in een bepaalde stand zetten en
die gedurende de hele rit met zijn voet continu in die stand houden. De intermitterende
dodemanknop vraagt gedurende de rit steeds een daadwerkelijke bevestiging
van de aanwezigheid en alertheid en is tegelijkertijd minder zwaar in bediening,
wat weer gunstig is voor klachten aan het bewegingsapparaat van de machinist.
De werkgroep STS, die onder de stuurgroep STS valt, heeft recentelijk
onderzoek gedaan naar het statistisch materiaal betreffende STS-incidenten
met en zonder kwiteerfunctie. Op basis van de STS-database van de Inspectie
van Verkeer en Waterstaat is vastgesteld dat er geen significant verschil
is geconstateerd in STS-incidenten met en zonder kwiteerfunctie (ik verwijs
hiervoor naar de onderstaande tabel ter illustratie).
Tabel: Gemiddeld percentage STS-passages per materieelsoort
| | voor 1997 (peiljaren 1994–1996)
(met kwiteren) | na 1996 (peiljaren 2001–2003)
(zonder kwiteren) |
|---|
| Stadsgewestelijk materieel (Sprinter) | 11,2% | 6,7% |
| Intercitymaterieel (ICM–Doorloopkop) | 15,0% | 11,0% |
| Elektrische lok van de serie 1700 | 2,7% | 1,8% |
| mat'64
(stoptreinmaterieel) | 17,2% | 18,8%
(peiljaar 2004) |
Samengevat concludeer ik dat het besluit tot afschaffen van de kwiteerfunctie
geen aantoonbare bijdrage heeft geleverd aan de stijging van de roodlicht
passages. Verder onderzoek naar de kwiteerfunctie acht ik dan ook niet zinvol.
XNoot
1 Brief van Andries van den Berg (FNV Bondgenoten) aan de minister van
Verkeer en Waterstaat.
XNoot
2 Aanhangsel Handelingen nr. 491, vergaderjaar 2004–2005.