Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1834

Vragen van het lid Arib (PvdA) aan de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie over Islamitische vrouwen die door hun echtgenoten thuis worden opgesloten. (Ingezonden 8 juni 2006)

1

Bent u op de hoogte van het bestaan van vrouwen die jarenlang door hun echtgenoot thuis worden opgesloten?1

2

Welke mogelijkheden heeft u om deze vrouwen te helpen? Wat hebt u tot nu toe gedaan om deze vrouwen te helpen sinds u op de hoogte bent van hun situatie?

3

Klopt het dat er sprake zou zijn van honderden tot duizenden Islamitische vrouwen die door hun mannen thuis gevangen gehouden worden en opgesloten worden? Op welke wijze kan inzicht worden gegeven in het aantal vrouwen dat thuis gedwongen wordt opgesloten?

4

Hoe is het mogelijk dat deze vrouwen jarenlang thuis worden opgesloten zonder dat de buitenwereld hier iets van merkt? Staan deze vrouwen überhaupt ergens ingeschreven, bijvoorbeeld in het bevolkingsregister? Kunt u aangeven welke rol zorgverleners, zoals huisartsen en kraamverzorgers kunnen spelen om deze vrouwen te helpen?

5

Deelt u de mening dat de inburgeringcursus die u in het programma1 noemt, geen soelaas biedt om deze vrouwen uit hun isolement te halen, aangezien zij geen contact met de buitenwereld mogen hebben en de uitnodiging voor een inburgeringcursus niet kunnen lezen?

6

Waarom worden mannen die zich schuldig maken aan vrijheidsberoving, niet vervolgd? Bent u bereid na te gaan welke strafrechtelijke consequenties er zijn voor mannen die hun vrouwen thuis opsluiten?

Antwoord

Antwoord van minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie), mede namens de minister van Justitie. (Ontvangen 11 juli 2006)

1

Ja, via werkbezoeken en het programma van Netwerk van 25 mei 2006 hebben mij signalen bereikt. Ik beschouw dergelijke praktijken als een ernstige aantasting van de persoonlijke vrijheid van de betrokken vrouwen.

2

Via diverse maatregelen zet het kabinet zich ervoor in dat deelname aan de samenleving van allochtone vrouwen met een achterstandspositie wordt bevorderd. Bij regelmaat betreft het hier vrouwen die als «moeilijk bereikbaar» worden beschouwd. Zo richt het Plan van aanpak Emancipatie en Integratie, dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik uitvoeren, zich specifiek op de doelgroep kansarme en kwetsbare vrouwen uit etnische minderheden die tot nu toe nauwelijks zijn bereikt. Het Plan van aanpak biedt gemeenten instrumenten waarmee beleid voor vrouwen uit etnische minderheden vormgegeven of aangescherpt kan worden en ontwikkelt instrumenten om de doelgroep te bereiken. Momenteel vinden onder meer pilots plaats om vrouwen via hun mannen te bereiken.

Via de subsidieregeling Emancipatieprojecten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid lopen 3 projecten waarin vrouwen uit de minderheden door allochtone intermediairs worden geworven voor taalcursussen, laagdrempelige activiteiten en vrijwilligerswerk. Het zijn de projecten van de gemeente Culemborg, het Internationaal Vrouwencentrum (IVC) in Nijmegen en het Centrum Buitenlandse Vrouwen (CBV) in Tilburg. Middels dergelijke projecten wordt gezocht naar goede manieren om juist moeilijk bereikbare vrouwen te bereiken. Dit bijvoorbeeld door vrouwen en hun partner aan te spreken tijdens natuurlijke contactmomenten met algemene instellingen, zoals scholen of consultatiebureaus, of door met inzet van mannelijke intermediars een betere ingang te vinden bij de partners van de betrokken vrouwen. Voor vrouwen die in de situatie verkeren dat zij weinig bewegingsvrijheid hebben en nauwelijks participeren, zijn dergelijke methoden vaak een voorwaarde om misstanden te kunnen signaleren.

Ook vindt er in 2006 een pilot inburgering voor allochtone vrouwen plaats. Doel van deze pilot is enerzijds de inzet van extra inburgeringstrajecten voor vrouwen die zullen moeten leiden tot het behalen van het nieuwe inburgeringsexamen. Anderzijds moet de pilot leiden tot een verbetering van de kwaliteit en het rendement van deze trajecten. Het uiteindelijke doel is maatschappelijke participatie of arbeidsparticipatie van de vrouwen die aan de pilot deelnemen. Een dergelijke toerusting versterkt de positie van allochtone vrouwen in de Nederlandse samenleving.

3

Het is niet bekend hoeveel vrouwen in een dergelijke situatie verkeren. Het betreft hier een problematiek met geringe mogelijkheden voor inschatting van de situatie en controle. Mogelijkheden voor ingrijpen doen zich voor zodra betrokkenen melding doen van hun probleem en om hulp vragen. Wel ben ik voornemens om in het kader van het programma eergerelateerd geweld ook beter inzicht in deze problematiek te verkrijgen met als doel tijdig ingrijpen te bevorderen. Vanwege de complexiteit van de problematiek en het feit dat het gedwongen thuis houden van vrouwen niet uitsluitend geschiedt met eermotief acht ik het volledig verkrijgen van inzicht in relevante aantallen niet realistisch.

4

In beginsel is iedereen die gedurende een bepaalde periode in Nederland verblijf houdt, verplicht aangifte te doen voor inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) in de gemeente waar hij woont. Echtgenoten dan wel geregistreerde partners die hetzelfde woonadres hebben, kunnen ook aangifte voor elkaar doen. Indien de gemeente twijfelt aan de juistheid van de aangifte (bijvoorbeeld het vermoeden heeft dat op dat adres ook een partner woont terwijl dat niet wordt vermeld) kan de gemeente ambtshalve onderzoek doen naar de feitelijke situatie. In het geval er geen aangifte is gedaan door of namens de partner, kan de gemeente de betrokken persoon ambtshalve inschrijven in de GBA.

Contactmomenten met zorgverleners kunnen door deze vrouwen worden beschouwd als een veilig moment om te spreken over hun situatie. Indien sprake is van een hulpvraag behoren doorverwijzing naar of het doen van melding bij daartoe geijkte instanties tot de mogelijkheden. De verschillende mogelijkheden kunnen op een dergelijk moment ter sprake worden gebracht.

5

Nee, ik deel die mening niet.

In het huidige inburgeringsstelsel worden inburgeraar en gemeente beiden aangesproken op hun verantwoordelijkheid. Nieuwkomers moeten zich melden en de gemeente heeft de plicht hen op te roepen. Ten aanzien van oudkomers voeren de gemeenten een actief wervingsbeleid. Voor zowel nieuwkomers als oudkomers wordt door middel van een inburgeringsonderzoek het programma, doel en intensiteit vastgesteld. Sancties kunnen, indien sprake is van verwijtbaar gedrag, worden toegepast.

Het nieuwe inburgeringsstelsel is door het verplichtende en resultaatgerichte karakter er op gericht om nieuw- en oudkomers zo snel mogelijk te laten inburgeren en daardoor in staat te stellen te participeren in de samenleving.

Sinds 15 maart 2006 is de Wet inburgering buitenland in werking getreden. Eén van de voorwaarden voor het verstrekken van de mvv (machtiging tot voorlopig verblijf) op grond waarvan men wordt toegelaten tot Nederland, is het behalen van het basisexamen inburgering in het buitenland. Nieuwkomers die op grond van gezinsvorming of gezinshereniging naar Nederland komen, zullen daardoor vanaf genoemde datum reeds beschikken over enige kennis en beheersing van de Nederlandse taal en de Nederlandse samenleving en daardoor beter zijn voorbereid op het leven in Nederland.

Belangrijk uitgangspunt van het wetsvoorstel inburgering, dat de inburgering in Nederland regelt, is het verplichtende en resultaatgerichte karakter van de inburgering. Meer dan in het huidige stelsel worden consequenties verbonden aan het niet slagen voor het inburgeringsexamen binnen de termijn. Het behalen van het inburgeringsexamen wordt bovendien voorwaarde voor de verstrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en de zelfstandige vergunning voor voortgezet verblijf. Naast negatieve prikkels, kent het nieuw stelsel ook positieve prikkels die de inburgering bevorderen. Daarbij moet gedacht worden aan de lenings- en vergoedingenfaciliteit en de mogelijk van een aanbod voor een inburgeringsvoorziening. Dit alles zal naar mijn mening de mogelijkheden voor vrouwen om een eventueel isolement te doorbreken, vergroten.

6

De in de vraag besloten stelling waarom mannen, die zich schuldig maken aan vrijheidsberoving, niet worden vervolgd mist elke grond. Wederrechtelijke vrijheidsberoving is een aantasting van de persoonlijke vrijheid van individuen. Het is een ernstig delict dat strafbaar is gesteld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht en waarbij voorlopige hechtenis kan worden toegepast. Overigens verwijs ik u in dit verband gaarne naar mijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 3 maart 2005, waarin ik uitgebreid stilsta bij het juridisch kader rondom eergerelateerd geweld (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 345, nr. 34). In de praktijk betekent dit dat, zodra zich een geval van wederrechtelijke vrijheidsberoving voordoet en ook ter kennis komt van de politie, er zeker een onderzoek zal worden ingesteld. Zoals bekend zal dan op basis van het aldus vergaarde bewijsmateriaal het Openbaar Ministerie een afweging maken of er voldoende basis is voor een verdere vervolging.


XNoot
1

 Het tv-programma Netwerk d.d. 25 mei 2006.

Naar boven