Kamervragen (Aanhangsel)

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-20061763

Aanhangsel van de Handelingen

Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden

1763

Vragen van de leden Vos en Van Gent (beiden GroenLinks) aan de minister van Justitie en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over problemen bij bewindvoering. (Ingezonden 20 april 2006)

1

Bent u bekend met klachten van professionele bewindvoerders over de interpretatie van de bevoegdheden van bewindvoerders? Zo ja, klopt het dat heel veel gemeenten bewindvoerders op basis van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam achten om namens hun cliënten op te treden? Wordt dit veroorzaakt door onbekendheid bij gemeenten met de wettelijke bepalingen over bewindvoering?

2

Bent u bereid om de nodige maatregelen te treffen om de geconstateerde onduidelijkheid bij gemeenten weg te nemen?

Antwoord

Antwoord van minister Donner (Justitie), mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. (Ontvangen 30 juni 2006), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 1457, vergaderjaar 2005–2006

1

Ja. Het betreft klachten, bij de vraagstellers aangedragen door de maatschap Bewindvoerderskantoor Kroezen, gevestigd te Vortum-Mullem.

Uit de door deze bewindvoerder als bedoeld in titel 19 Boek 1 BW desgevraagd verstrekte informatie blijkt dat er gemeenten zijn, die zich op het standpunt stellen dat voor het indienen van bezwaar door de bewindvoerder tegen de weigering van bijzondere bijstand een machtiging van de betrokken persoon aan de bewindvoerder is vereist. Is die machtiging er niet dan volgt niet-ontvankelijkverklaring. Tevens blijkt dat sommige gemeenten een aanvraag voor bijzondere bijstand niet-ontvankelijk achten indien de aanvraag daartoe door de bewindvoerder is gedaan zonder dat deze daartoe door de rechthebbende was gemachtigd. De redenering is «de betrokkene is, anders dan bij curatele het geval is, handelingsbekwaam gebleven, en moet dus zelf de aanvraag of het bezwaar indienen of de bewindvoerder daartoe machtigen».

Voorts blijkt dat volgens sommige gemeenten de maandelijks in te vullen periodieke verklaring in verband met uit hoofde van de Wet werk en bijstand verleende bijstand («inkomstenbriefjes»), door de betrokkene zelf dient te worden ondertekend en dat dit dus niet door de bewindvoerder namens deze kan worden gedaan. Wij merken het volgende op.

Beschermingsbewind beoogt degene van wie tegenwoordige en toekomstige goederen onder bewind zijn gesteld, te beschermen tegen eigen onzorgvuldig optreden met betrekking tot diens geld en goed, niet-handelen ter zake daaronder begrepen. Dit bewind voorziet in optreden door een derde, de bewindvoerder, ter zake van de financiële huishouding van meerderjarigen die daartoe zelf vanwege hun lichamelijk of geestelijke toestand niet behoorlijk of in het geheel niet in staat zijn. Het beheer over de onder bewind staande goederen wordt voortaan door de bewindvoerder gevoerd, voor beschikkingshandelingen ten aanzien daarvan behoeft hij de medewerking van de bewindvoerder dan wel, bij weigerachtigheid of niet in staat zijn van de betrokkene om medewerking te verlenen, de machtiging van de kantonrechter.

De bewindvoerder vertegenwoordigt de betrokkene tijdens het bewind in en buiten rechte bij de vervulling van zijn taak (artikel 1:441 lid 1 BW), hij is dus in zoverre diens wettelijke vertegenwoordiger. De wending «bij de vervulling van zijn taak» mag naar wij menen aldus worden opgevat dat die taak niet slechts handelingen betreft die in rechtstreeks verband staan met de onder bewind gestelde goederen, maar ook handelingen die in het belang van een ordentelijke financiële huishouding van de betrokken persoon noodzakelijk, nuttig of wenselijk zijn.

Deze benadering wordt, behalve in recente rechtsgeleerde literatuur (zie Kluwer Personen- en Familierecht ad artikel 1:441 BW, en Blankman, Meerderjarigen- en voogdijbewind, pre-advies KNB 2004, blz. 84), ook gevolgd door dat deel van de rechterlijke macht dat met de supervisie op het beschermingsbewind ingevolge de wet is belast. Blijkens de richtlijnen van het Landelijk Overleg van Kantonsectorvoorzitters (LOK) van april 2004 (te raadplegen op de site www.rechtspraak.nl) worden tot de «gewone werkzaamheden van de bewindvoerder tijdens het bewind» met name ook gerekend «het regelen van de financiële huishouding van de betrokkene, inclusief belastingaangifte box 1, het verzoeken van kwijtschelding ter zake van heffingen en het aanvragen van (bijzondere) bijstand en huursubsidie». Ook aangelegenheden als het aanvragen van een persoonsgebonden budget (PGB) rekent het LOK tot de taak van de bewindvoerder. Wij achten dit ook passend bij de vaststelling die de kantonrechter bij het instellen van het bewind deed: de rechthebbende is niet in staat zijn vermogensrechtelijke belangen zelf naar behoren waar te nemen. De bewindvoerder van titel 1.19 BW heeft daartoe, evenals mutatis mutandis de curator van titel 1.16 en de mentor van titel 1.20 BW, alle bevoegdheden die deze voor een goede vervulling van zijn taak nodig heeft. En die taak betreft nu juist meer algemeen en niet zelden het weer op de rails zetten van de financiën van mensen die daartoe zelf niet in staat zijn.

Het doen van een verzoek om bijzondere bijstand, het indienen van bezwaar tegen de weigering daarvan en ook het ondertekenen van bedoelde periodieke verklaringen in het kader van de Wet werk en bijstand past in die taak, met name in geval de betrokken persoon vanwege zijn geestelijke toestand niet in staat is machtiging te geven of zich om zijn financiële reilen en zeilen in het geheel niet bekommert.

Het gaat hierbij om rechtshandelingen. Ter zake kan de rechthebbende door de bewindvoerder als diens wettelijke vertegenwoordiger worden vertegenwoordigd, en dit is, evenals bij curatele, niet anders indien het publiekrechtelijke rechtshandelingen betreft. Het gaat bij het aanvragen van of het bezwaar maken tegen een weigering van bijstand ook niet (en evenmin is dit het geval bij de ondertekening van bedoelde periodieke verklaringen) om rechtshandelingen die zo «hoogstpersoonlijk» van aard zijn, dat voor vertegenwoordiging om die reden geen plaats is en zodanige rechtshandeling reeds hierom uitsluitend door de betrokkene zelf zou kunnen worden verricht.

Indien de bewindvoerder ook ter zake van het aanvragen van bijstand e.d. als de wettelijke vertegenwoordiger van de betrokken persoon kan optreden, behoeft aan het geven van een machtiging om zich in het verkeer met een bestuursorgaan door een gemachtigde te laten vertegenwoordigen ook niet te worden toegekomen, nog ervan afgezien dat, als gezegd, de betrokkene tot het op een rechtsgeldige wijze verlenen van machtiging (óók een rechtshandeling) veelal niet in staat is, het bewind nu juist met het oog op die toestand is ingesteld.

Tenslotte zij nog bedacht, dat machtiging (ook) in het bestuursrecht eerst dan aan de orde behoeft te komen, indien de betrokkene geen wettelijke vertegenwoordiger heeft, maar een ander als zijn vertegenwoordiger wil laten optreden.

2

In de thans in voorbereiding zijnde nieuwe oplage van de publieksbrochure «Curatele, bewind en mentorschap» zal een verhelderende passage worden opgenomen. Daarnaast is de eerste ondergetekende gaarne bereid om bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de door de vraagstellers te berde gebrachte problematiek langs de lijnen van het antwoord op vraag 1 aan de orde te stellen.