Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden
1575
Vragen van het lid Van Bommel (SP) aan de minister van
Buitenlandse Zaken over de visserijverdragen tussen de Europese Unie
en Marokko. (Ingezonden 12 mei 2006)
1
Herinnert u zich mijn vragen d.d. 9 maart 2006 over de visserijverdragen
tussen de Europese Unie en Marokko?1
2
Bent u van mening dat Marokko een «administrating power» is
voor de Westelijke Sahara in de zin van artikel 73 van het VN handvest, of
een bezettende mogendheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
3
Indien Marokko een bezettende mogendheid is, kunt u dan aangeven wat volgens
u de verplichtingen en bevoegdheden zijn van Marokko ten aanzien van de natuurlijke
hulpbronnen, waaronder de maritieme van het door haar bezette gebied van de
Westelijke Sahara?
4
Is het u bekend dat de oorspronkelijke bewoners van de Westelijke Sahara
slechts op zeer kleine schaal en dan nog alleen in de traditionele kustvisserij
actief zijn? Is het u tevens bekend dat vrijwel alleen Marokkaanse kolonisten,
gevestigd in dorpen langs de kust van de Westelijke Sahara, in de visserijsector
actief zijn? Zo ja, kunt u dan toelichten hoe u zich voorstelt dat de oorspronkelijke
bewoners van de Westelijke Sahara baat hebben bij de voorgenomen visserijovereenkomst?
5
Beschouwt u de vluchtelingen uit de Sahara die zich in vluchtelingenkampen
op Algerijns grondgebied bevinden ook als oorspronkelijke bewoners van de
Westelijke Sahara? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe stelt u zich voor dat
deze vluchtelingen profiteren van het visserijverdrag?
6
Hebt u vertrouwen in het functioneren van de Marokkaanse vertegenwoordigers
in het voorgenomen Joint Committee, gegeven het feit dat Marokko de Westelijke
Sahara beschouwt als vallende onder zijn soevereiniteit, niet van zins is
uit eigen wil een referendum toe te staan dat de optie van onafhankelijkheid
van de Westelijke Sahara biedt en de meest fundamentele rechten van deze bevolking
(burgerlijke en politieke rechten, waaronder het recht op zelfbeschikking)
schendt? Kunt u uw antwoord toelichten? Welke criteria en meetpunten wilt
u hanteren om te beoordelen of de voorgenomen visserijovereenkomst ten goede
komt van de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Sahara?
7
Bent u, gezien het bovenstaande, van mening dat de Europese Unie juist
de verplichting heeft om zelf de verantwoordelijkheid te nemen en waar te
maken dat de natuurlijke hulpbronnen van een gebied «wier volken nog
geen volledig zelfbestuur hebben bereikt»2 worden beschermd?
Zo neen, waarom niet? Zo ja, gaat u hiervoor pleiten?
8
Kunt u deze vragen, in verband met mogelijke stemming in de Raad, vóór
20 mei aanstaande beantwoorden?
Antwoord
Antwoord van minister Bot (Buitenlandse Zaken). (Ontvangen 31 mei 2006)
2 en 3
De regering is het eens met de mening van de Juridische Adviseur van de
VN als verwoord in zijn brief aan de President van de Veiligheidsraad van
12 februari 2002 dat Marokko niet een de jure beherende mogendheid in de Westelijke
Sahara is, doch slechts opereert als een de facto beheerder van het gebied.
Vanwege de status van de Westelijke Sahara als een «non-self governing
territory» in de zin van artikel 73 van het VN Handvest kunnen de principes
die van toepassing zijn op beherende mogendheden met betrekking tot de exploitatie
van middelen analoog worden toegepast op de facto beheerders; dit betekent
dat exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van het betreffende
gebied moeten plaatsvinden in overleg met de oorspronkelijke bevolking, én
dat de exploratie en exploitatie ten goede moeten komen aan die bevolking.
De regering gaat er, net als de Juridische Adviseur in zijn bovengenoemde
brief, niet vanuit dat in de Westelijke Sahara sprake is van een bezetting.
Overigens, als dat wel het geval zou zijn, dan zou voor Marokko als bezettende
mogendheid de regel blijven gelden dat Marokko slechts over de natuurlijke
rijkdommen van het betreffende gebied zou mogen beschikken voor zover dat
in het belang zou zijn van de oorspronkelijke bevolking.
4
De lokale situatie is mij bekend. De opbrengsten uit het visserijverdrag
zijn volgens de gehanteerde VN-richtlijnen niet zozeer bedoeld ter ondersteuning
van lokale vissers, maar dienen wel ten goede te komen aan de oorspronkelijke
lokale bevolking in het algemeen. Er zijn verschillende manieren denkbaar
waardoor oorspronkelijke bewoners baat kunnen hebben bij het visserijakkoord.
Het akkoord kan bijvoorbeeld gunstige effecten hebben op de werkgelegenheid.
Voorts kan de toename van de economische activiteit in de kuststreken een
positieve invloed hebben op de economische ontwikkeling van het gebied in
het algemeen. Een bijkomend voordeel is dat het beheer van de in de desbetreffende
wateren voorkomende bestanden verbeterd zal worden door inzet van wetenschappelijke
instrumenten en onderzoek.
De vergoedingen die de EU en de scheepseigenaren betalen in het kader
van dit visserijakkoord zullen naar het inzicht van de Nederlandse regering
ten goede moeten komen aan de oorspronkelijke bevolking. Het gemengde comité
dient erop toe te zien dat vooral de oorspronkelijke bevolking hiervan profiteert.
5
Ja, zij worden beschouwd als oorspronkelijke bewoners van de Westelijke
Sahara.
Gegeven het feit dat de vluchtelingen zich in Algerije bevinden, in samenhang
met het gegeven dat Marokko moet worden gezien als een de facto beheerder
van de Westelijke Sahara, lijkt het voor het moment helaas niet realistisch
een financieringsconstructie na te streven waardoor zij zouden kunnen profiteren
van het visserijverdrag.
6
Artikel 10 van de visserijovereenkomst bepaalt dat het gemengde comité
zal bestaan uit vertegenwoordigers van de twee partijen, dat wil zeggen afgevaardigden
van Marokko en de Europese Commissie. Zij moeten onder andere toezien op de
uitvoering, interpretatie en de goede werking van de overeenkomst (art. 10
lid 1a). Hieronder valt dus eveneens het toezicht op de uitvoering van de
overeenkomst conform het internationale recht. Ik ga ervan uit dat de Commissie
de Raad op de hoogte zal stellen van eventuele ontwikkelingen binnen het gemengde
comité die er toe leiden dat het comité zijn mandaat niet kan
vervullen.
In dit verband kan ook vermeld worden dat het Europees Parlement op 3
mei heeft aangedrongen op opschorting van het akkoord in geval van schending
van het internationale recht.
7
Ik ben van mening dat de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het Gemengde
Comité waarin Marokko en de Europese Commissie participeren. Nederland
zal in een unilaterale verklaring1 beklemtonen dat Marokko
gehouden is aan uitvoering van de overeenkomst conform internationale verplichtingen.
8
Helaas was beantwoording vóór 20 mei niet mogelijk.
XNoot
1 Aanhangsel Handelingen nr. 1219, pagina 2599–2601, vergaderjaar
2005–2006.
XNoot
2 Ibid, pagina 2600.
XNoot
1 Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.